Kogels sneden door de stenen muren en het droge hout van de keet. Het geluid was verdovend, een meedogenloos ratelen dat de kleine ruimte veranderde in een dodelijke valstrik. Stof, opspattend steengruis en splinters vlogen door de lucht.
Rechercheur Berg duwde Charlotte en mij hard tegen de grond, achter de dikke stenen onderbouw van de schouw. Hij vuurde drie gerichte schoten af door de versplinterde deur opening, waarna een schreeuw van buiten liet horen dat hij een doel getroffen had.
‘Ze hebben mijn helikopterteam uitgeschakeld!’ riep Berg boven het geluid van het geweervuur uit. ‘Het syndicaat heeft huurlingen op dit eiland! We kunnen hier niet blijven!’
‘Hoe zijn ze ons zo snel op het spoor gekomen?!’ schreeuwde Charlotte, terwijl ze haar handen over haar oren klemde.
‘De helikopter!’ zei Berg grimmig. ‘Mijn eigen signaal is opgemerkt toen ik landde. Helena heeft haar netwerk geactiveerd!’
Hij haalde een kleine rookgranaat uit zijn tactische vest, trok de pen eruit en wierp hem door het kapotte raam naar buiten. Binnen enkele seconden vulde de ingang van de keet zich met een dichte, witte rookwolk die ons het zicht op de buitenwereld ontnam, maar ons tevens dekking bood.
‘Volg mij! Er is een oude mijnschacht aan de achterkant van de keet!’ beval Berg.
Hij duwde tegen een houten paneel achter de schouw, dat weggreed en een donkere, steile tunnel onthulde die dieper de rotsen in leidde. We doken één voor één de donkere schacht in, net voordat een nieuwe kogelregen het interieur van de keet volledig aan flarden schoot.
We kropen door de smalle, vochtige tunnel. Het geluid van de schoten werd langzaam zwakker, vervangen door het ritmische druppelen van water op de rotsen. Na een minuut of tien doog er daglicht op aan het einde van de gang. De tunnel kwam uit in een kleine grot aan de zeezijde van het eiland, verscholen achter een dichte begroeiing van wilde struiken.
Daar, afgemeerd aan een rots, lag een snelle, zwarte RIB-boot van de internationale opsporingsdienst.
‘Instappen! Snel!’ zei Berg.
We sprongen in de boot. Berg startte de krachtige dubbele motoren. Met een brullend geluid schoot de zwarte boot over de golven, weg van het eiland Ios, de open zee op, terwijl achter ons de rook van de brandende helikopter boven de steengroeve opsteeg.
Toen we op veilige afstand van het eiland waren en de horizon weer rustig werd, leunde Berg tegen het stuurwiel. Zijn gezicht was grauw van de stress.
‘We kunnen jullie niet meer in het buitenland beschermen,’ zei hij, terwijl hij de boot koers liet zetten naar een militaire basis op het nabijgelegen eiland Kreta. ‘Helena’s arm reikt te ver. De enige manier om dit definitief te beëindigen, is door de slang bij de kop te pakken.’
‘Je wilt terug naar Nederland?’ vroeg ik, mijn stem trillend van angst bij het idee om terug te keren naar de plek waar al deze ellende was begonnen.
‘We vliegen vanavond nog met een militair transport vliegtuig naar Vliegbasis Eindhoven,’ zei Berg vastberaden. ‘Het dossier dat jullie gecodeerd hebben doorgestuurd is voldoende om arrestatiebevelen uit te vaardigen voor het hele bestuur van het syndicaat. Maar Helena van der Meer heeft al haar bezittingen opgesteld via complexe trustfondsen in Panama. Als we haar niet op heterdaad betrappen op het hoofdkwartier — het landhuis aan de Vecht — heeft ze binnen een uur haar privévliegtuig gepakt naar een land zonder uitleveringsverdrag.’
Ik keek naar Charlotte. Haar gezicht stond strak, maar haar ogen straalden een onbuigzame vastberadenheid uit. Vijf jaar lang had zij in de schaduw moeten leven, beroofd van haar identiteit en haar familie.
‘Ik ga mee,’ zei Charlotte hard. ‘Ik wil zien hoe ze opgeknoopt wordt aan haar eigen leugens.’
Ik keek naar de zilveren ring aan mijn vinger — niet de trouwring van Julian, maar een kleine, eenvoudige ring die mijn moeder me ooit had gegeven. Mijn hele leven was de afgelopen week verwoest. Mijn huwelijk was een misdaadscenario gebleken, mijn man was dood, en de familie waarin ik was getrouwd bleek een monstrueuze misdaadorganisatie.
‘Ik ga ook mee,’ zei ik zacht, maar met een kille vastberadenheid die ik van jezelf niet kende. ‘Ik ben degene die ze zoeken. Ik ben de enige die Helena kan confronteren zonder dat ze direct het vuur opent.’
Vierentwintig uur later.
Een koude, striemende Nederlandse regen sloeg tegen de voorruit van de onopvallende zwarte bestelwagen die geparkeerd stond in de bossen langs de rivier de Vecht, nabij Breukelen. Het was diep in de nacht.
Door de beslagen ramen keek ik naar het imposante, zeventiende-eeuwse landhuis ‘Vechtzicht’. De verlichte ramen van de beletage wierpen een warm, goudgeel licht op de strak gemaaide gazons en de eeuwenoude eikenbomen. Het zag eruit als de belichaming van oud geld, rust en Nederlandse elegantie. Maar ik wist nu dat zich achter die klassieke gevel het kloppend hart van een crimineel imperium bevond.
Rechercheur Berg controleerde zijn kogelvrij vest en laadde zijn dienstwapen. Naast hem zaten vier zwaar bewapende leden van het Arrestatieteam van de politie.
‘De inval staat gepland voor over tien minuten,’ zei Berg, terwijl hij op zijn horloge keek. ‘Het Arrestatieteam valt via de achterzijde en de tuinkamer binnen. Fleur, jij blijft in deze bestelwagen met Charlotte. Het is te gevaarlijk.’
‘Nee,’ zei ik beslist. ‘Helena heeft een vluchttunnel. Een oude ijskelder die onder het gazon doorloopt naar de botenboot aan de Vecht. Julian heeft me er ooit over verteld toen hij dronken was en me rondleidde op het landgoed.’
Berg keek me scherp aan. ‘Een ijskelder?’
‘Als ze het Arrestatieteam hoort binnenkomen, gaat ze niet via de voordeur,’ zei ik. ‘Ze gaat naar het botenhuis. En als ze die boot instapt, is ze weg.’
Berg aarzelde, maar knikte toen kort naar twee van de arrestatieteamleden. ‘Jullie twee, mee met mij naar het botenhuis. Fleur, je wijst ons de ingang van de tunnel, daarna ga je direct terug naar dekking.’
We stapten uit de bestelwagen. De kille Nederlandse nachtlucht rook naar vochtige bladeren en rivierslib. We sluipen geluidloos door de dichte struiken langs de rand van het landgoed, totdat we de achterzijde van de historische ijskelder bereikten — een kleine, met mos begroeide stenen heuvel in het park.
De zware ijzeren deur van de ijskelder stond op een kier.
Berg wenkte het team en trok zijn wapen. Langzaam en zonder een geluid te maken duwden we de deur verder open en daalden we af in de stenen gang.
Aan het einde van de gang, in een verlichte ondergrondse ruimte die was ingericht als een modern kantoor met kluizen en computerservers, stond een gestalte.
Het was Helena van der Meer. Ze drag haar kenmerkende bontjas en hield een lederen reistas vast. Ze was bezig met het leeghalen van een wandkluis.
Maar ze was niet alleen.
Naast haar stond een man in een donkere regenjas, die haar hielp met het inpakken van stapels contant geld en valse paspoorten.
Toen de man zich omdraaide naar het licht van de lamp, voelde het alsof mijn hart definitief ophield met kloppen.
Het was niet Willem.
Het was Julian.
Zijn gezicht was schrammerig en grauw, maar hij leefde. De forensische sporen in de kapel op Santorini... de twee verbrande lichamen... het was opnieuw een in scène gezette dood geweest.
Julian keek op en zijn ogen ontmoetten de mijne in het halfduister van de ondergrondse kluis.
‘Fleur...’ fluisterde hij.
Op dat moment richtte Helena van der Meer zich langzaam op. Ze pakte met een ijzingwekkende kalmte een klein pistool van de tafel en richtte het niet op Berg, maar recht op mijn voorhoofd.
‘Wat jammer nou, Fleur,’ zei de oude vrouw met een rimpelloze, gemaakte glimlach. ‘Je had op Santorini moeten sterven. Dat had ons allemaal een hoop moeite bespaard.’
Haar vinger begon de trekker langzaam naar achteren te trekken...






