De Schim bij Gate C9
News Story

De Schim bij Gate C9

32 weergaven

Julian greep de zware houten deur vast en trok hem dicht. Het luide geluid van het slot dat in het beslag viel, klonk als een doodvonnis. De enige lichtbron in de kleine kapel was nu het flikkerende schijnsel van de paar kaarsen op het altaar, die lange, spookachtige schaduwen op de stenen muren wierpen.

‘Julian, alsjeblieft...’ smeekte ik, terwijl ik probeerde mijn stem onder controle te houden. ‘Kijk naar mezelf. Kijk naar wat je aan het doen bent. Is dit echt wie je wilt zijn?’

Julian keek niet naar mij. Hij staarde strak naar de vloer, zijn kaken op elkaar geklemd. ‘Het is te laat, Fleur. Je had je er niet mee moeten bemoeien. Als je op Schiphol gewoon mee was gegaan naar Rome, zoals het plan was, had dit allemaal opgelost kunnen worden zonder dat jij eronder zou lijden.’

‘Oplossen?’ riep ik woedend. ‘Je hebt mijn leven opgebouwd op een leugen! Je hebt me gebruikt als menselijk schild tegen je eigen vader!’

Willem deed een stap naar voren. De gouden ring om zijn vinger glom in het kaarslicht. ‘Laten we de dramatische toespraken achterwege laten, mijn kind. Het bedrijfsleven is hard, en familiebelangen gaan nu eenmaal boven alles. Charlotte had vijf jaar geleden verstandig moeten zijn en haar mond moeten houden. Maar ze koos ervoor om de held te spelen. En nu... nu heb je haar stommiteit gekopieerd.’

Hij keerde zich tot zijn zoon. ‘Geef me de echte flashdrive, Julian. De zwarte die je me in de hotelkamer gaf bevatte alleen maar corrupt gemaakte bestanden. Denk je nou echt dat ik je kleine trucjes niet doordacht heb?’

Julian keek op. Een duistere, bittere glimlach verscheen op zijn lips. ‘Ik ben je zoon, vader. Ik heb van de beste geleerd. Als ik je de echte schijf geef, schiet je ons hier ter plekke neer en laat je de lichamen zinken in de Egeïsche Zee. Denk je dat ik gek ben?’

‘Je onderschat mijn geduld, Julian,’ zei Willem op een ijzige toon. Hij reikte naar de binnenkant van zijn colbert en haalde er een compact, zwart pistool met een geluidsdemper uit. De kille zakelijkheid waarmee hij het wapen op zijn eigen zoon richtte, deed mijn bloed stollen. ‘Ik heb dertig jaar gebouwd aan Van der Meer Vastgoed. Ik laat mijn imperium niet vernietigen door een incapabele zoon en twee naïeve meisjes.’

‘Willem, nee!’ schreeuwde ik.

Charlotte duwde me snel achter zich. ‘Willem, als er iets met ons gebeurt, wordt het dossier automatisch vrijgegeven! Ik heb een geautomatiseerde e-mail ingesteld die elke vierentwintig uur moet worden gereset! Als ik het niet reset, gaat het hele archief rechtstreeks naar de Landelijke Eenheid van de Nederlandse politie en de FIOD!’

Willem bleef roerloos staan. Zijn ogen vernauwden zich. Het was duidelijk dat hij twijfelde of Charlotte blufte of niet.

‘Een dodemansknop...’ fluisterde Willem. ‘Slim. Heel slim voor een eenvoudig accountante.’

‘Het is geen bluf,’ zei Charlotte met stalen stem. ‘Probeer het maar uit. Vermoord ons. En zie hoe je hele leven binnen vierentwintig uur instort, je bezittingen in beslag worden genomen en je de rest van je dagen slijt in een maximale beveiligde gevangenis.’

De Stilte in de kapel was verstikkend. Men kon het ruisen van de golfslag tegen de stenen kade buiten horen. Willem hield het pistool strak gericht, zijn vinger rustend op de trekker.

Plotseling veranderde de dynamiek. Julian, die vlak bij de deur stond, deed een snelle stap op zij en greep een zware koperen kandelaar die op een bijzettafel stond.

‘Vader!’ schreeuwde Julian.

Met een krachtige zwaai haalde Julian uit naar de hand waarin Willem het pistool vasthield. De zware kandelaar raakte Willems pols met een doffe klap. Willem slaakte een kreet van pijn en het pistool kletterde op de stenen vloer, waarna het over de gladde tegels gleed richting het altaar.

‘Rennen!’ schreeuwde Julian tegen ons.

Charlotte twijfelde geen seconde. Ze dook naar de stenen vloer, greep het pistool voordat Willem van de shock kon herstellen, en richtte het recht op haar voormalige werkgever.

Willem hield zijn gebroken pols vast, zijn gezicht vertrokken van woede en ongeloof. ‘Julian... je verraadt je eigen bloed?!’

‘Je bent mijn bloed niet meer, vader,’ zei Julian met een hese stem. ‘Je bent een monster. En ik ben klaar om jouw slaaf te zijn.’

Charlotte hield het wapen strak op Willem gericht, maar haar handen trilden licht. ‘Fleur, maak de achterdeur open! Snel!’

Ik haastte me naar de kleine houten deur achter het altaar. De houten grendel was verroest, maar met een harde ruk kreeg ik hem los. De deuren zwaaiden open naar een smalle houten steiger waar een klein, onverlicht vissersbootje dobberde in het donkere water.

‘Julian, mee komen!’ riep ik, ondanks alles wat hij gedaan had. Ik kon hem hier niet achterlaten om vermoord te worden door zijn vader.

Julian keek me aan. Er lag een diepe, onpeilbare droefheid in zijn blik. ‘Ga, Fleur. Ik moet dit met hem afmaken. Het bewijsmateriaal... de zilveren stick...’ Hij greep in zijn broekzak en gooide een klein, glimmend object naar me toe. Ik ving het op. ‘Alles staat erop. Breng het naar de politie. Zorg dat hij nooit meer iemand kwaad kan doen.’

‘Julian, nee! Kom mee!’ schreeuwde ik.

‘Ga!’ brulde hij.

Op dat moment herstelde Willem zich met een woedende schreeuw. Hij wierp zich met zijn volle gewicht op Julian. De twee mannen kwamen hard op de stenen vloer terecht en begonnen te worstelen. In de chaos slingerde Willem zijn arm uit en stootte de grote kaarsenhouder omver.

De brandende kaarsen vielen op de oude, droge houten kerkbanken en het gordijn achter het altaar. Binnen enkele seconden vatte de stof vlam. Een felle oranje gloed verlichtte de kapel en dikke, zwarte rook begon zich snel te verspreiden.

‘Fleur! Nu!’ schreeuwde Charlotte. Ze greep mijn arm en trok me mee door de achterdeur, het platform op.

Ik keek nog één keer achterom door de vlammenzee. Ik zag hoe Julian zijn vader tegen de grond gedrukt hield, terwijl de rook hen opslokte.

Charlotte duwde me in het houten bootje. Ze sprong er achteraan, snijd de touwen los met een mes dat op de bank lag, en startte de kleine buitenboordmotor. De motor sloeg met een luid gepruttel aan.

Het bootje schoot weg van de kade, de zwarte zee op.

Toen ik achterom keek naar de kliffen van Santorini, zag ik hoe de ramen van de kleine kapel helder oplichtten door het vuur dat daarbinnen woedde. Een doffe explosie klonk over het water toen de rook door de ruiten sloeg.

Ik zat op de bodem van het houten bootje, de zilveren USB-stick zo hard in mijn hand geklemd dat de randen in mijn palm sneden. Ik huilde onbedwingbaar — om Charlotte die ik dacht te kennen, om het leven dat een leugen bleek te zijn, en om Julian, die achtergebleven was in de vlammen.

Charlotte stuurde de boot de open zee op, richting de donkere contouren van een groter eiland in de verte.

‘We zijn nog niet veilig, Fleur,’ zei Charlotte, haar stem koud en strak. ‘Willem heeft mannen over het hele land. Zolang die data niet op de servers van de politie staat, zijn we vogelvrij.’

Plotseling begon het kleine schermpje van mijn telefoon, die ik nog steeds in mijn zak had, op te lichten.

Een oproep van een onbekend nummer.

Met trillende vingers nam ik op en hield het toestel tegen mijn oor.

Uit de luidspreker klonk niet de stem van de politie, noch die van Julian. Het was een zware, mechanisch vervormde stem die zachtjes fluisterde:

‘Het vuur heeft het verleden niet gewist, Fleur. We zien je bij de volgende stop.’

De verbinding werd verbroken. Ik keek om me heen naar de zwarte, eindeloze oceaan. We waren op het water, verstoken van hulp, en de jacht was pas net begonnen...