Het geluid van de doffe plons waarmee Julian in het zwarte, ijskoude water van de havenkom verdween, echode na tegen de stalen wanden van het vrachtschip.
‘JULIAN!’ schreeuwde ik, terwijl de le any controle over mijn emoties verloor.
Ik stormde naar de balustrade van het helideck en keek naar beneden. Vijfentwintig meter onder mij kolkte het zwarte water rond de imposante schroeven van het vrachtschip. De mist en de duisternis maakten het water tot een ondoorgrondelijke, dodelijke spiegel. Er was niets te zien. Geen rimpeling, geen arm die boven de oppervlakte uitstak. Niets.
Naast mij klonk het geluid van een ijzige, raspende lach.
Helena van der Meer stond leunend tegen de stalen reling te kijken. Haar gescheurde bontjas hing los om haar magere schouders. Haar gezicht was vertrokken in een demonische grimpel.
‘Een echte Van der Meer,’ fluisterde de oude vrouw met minachting. ‘Altijd achter spoken aanrennen. Hij is dood, Fleur. Het gif zou hem morgen toch wel gedood hebben, maar hij heeft het proces nu lekker versneld. En nu... nu zijn alleen jij en ik nog over.’
Ik draaide me langzaam naar haar om. De woede die zich de afgelopen dagen in mij had opgestapeld — het verlies van mijn zusje, het verraad van mijn huwelijk, de terreur, de constante vlucht — transformeerde in een ijzige, heldere focus. Ik hield het pistool dat Julian me had gegeven nog steeds stevig met twee handen vast.
Ik richtte de loop strak op de borst van de vrouw die mijn leven had verwoest.
‘Het is voorbij, Helena,’ zei ik, mijn stem zo koud dat ze niet eens trilde. ‘Stap weg van de rand. Nu.’
Helena lachte opnieuw, een droog, hoestend geluid. ‘Ga je me neerschieten, kind? Heb je de moed om een oude vrouw in koud bloed te executeren? Doe het dan! Schiet! Maar bedenk wel: als ik dood ben, neemt niemand ooit de leiding over de Zwitserse rekeningen over. De documenten die jij aan de politie hebt gegeven bevatten slechts de helft van de codering. De sleutel tot het gehele netwerk zit hier...’ Ze tikte met een magere vinger tegen haar slaap. ‘In mijn hoofd.’
‘Ik geef niets om je geld,’ zei ik hard. ‘Ik geef om gerechtigheid. Voor Charlotte. Voor alles wat je ons hebt aangedaan.’
‘Gerechtigheid?’ Helena zette een langzame, trillende stap in mijn richting. ‘Gerechtigheid is een sprookje voor de zwakken, Fleur. De wereld wordt geregeerd door macht en geld. Charlotte was dom. Ze dacht dat ze een held kon zijn, maar ze eindigde als een schim in de schaduw. En jij... jij bent precies zoals zij.’
Op dat moment klonk er het geluid van zware laarzen die de stalen trap naar het helideck opstormden.
‘POLITIE! LAAT HET WAPEN ZAKKEN!’
Rechercheur Berg stormde het platform op, zijn kogelvrij vest bedekt met roet en stof van de explosie bij ‘Vechtzicht’. Zijn gezicht was gehavend, maar zijn ogen stonden strak. Achter hem verscheen een gestalte die me bijna het pistool uit mijn handen liet vallen van shock.
Het was Charlotte.
Ze leefde! Haar gezicht was zwart van het roet, haar arm gestalkt in een dunne doek, maar ze stond op haar eigen benen. Julian had de waarheid gesproken: ze hadden de explosie in de ijskelder overleefd!
‘Fleur!’ schreeuwde Charlotte met een schorre stem. ‘Doe het niet! Laat haar niet van jou een moordenaar maken!’
Ik keek naar mijn zusje. De tranen die ik dacht niet meer te hebben, brbrandden opnieuw achter mijn ogen. ‘Charlotte... je bent er...’
‘Laat het pistool zakken, Fleur,’ drong Berg aan, terwijl hij langzaam dichterbij kwam. ‘We hebben de controle over het pand overgenomen. Het hele netwerk in Nederland is op dit moment opgerold. Het is voorbij. Laat ons het afmaken op de juiste manier.’
Helena keek naar de politieagenten en naar Charlotte. Voor het eerst zag ik een vonkje van echte angst door haar kille ogen flitsen. Haar imperium was definitief ingestort. Er was geen vluchtroute meer, geen Panamese boot die haar kon redden, geen geld dat haar kon beschermen.
‘Nee...’ fluisterde Helena. ‘Ik ga niet naar een cel. Ik buig voor niemand.’
Met een plotselinge, wanhopige beweging droogde de oude vrouw zich om en wilde ze zich over de reling van het helideck storten, de diepte in.
Berg sprintte naar voren en greep haar bij de kraag van haar bontjas net voordat ze over de rand gleed. Met hulp van twee Marechaussees trokken ze de spartelende, schreeuwende oude vrouw terug op het stalen dek.
‘Helena van der Meer, u bent gearresteerd op verdenking van meervoudige moord, deelname aan een criminele organisatie en hoogverraad,’ zei Berg, terwijl hij de handboeien strak om haar magere polsen sloot.
Helena schreeuwde, vervloekte iedereen in het Nederlands en Duits, maar haar stem klonk nu niet meer machtig. Ze zag er opeens uit wat ze werkelijk was: een deerniswekkende, van waanzin vervulde oude vrouw wiens kwaad definitief was gestopt.
Ik liet het pistool langzaam zakken. Charlotte rende naar me toe en sloeg haar gezonde arm om me heen. We hielden elkaar zo stevig vast dat het pijn deed, terwijl de verlichting van de patrouilleboten de nachtelijke lucht van IJmuiden blauw en wit kleurde.
Maar mijn ogen bleven gericht op het zwarte water beneden het schip.
‘Julian...’ fluisterde ik.
Berg kwam naast me staan en keek naar de duistere zee. ‘Er zijn duikers van de binnenwacht onderweg, Fleur. Maar... de stroom in dit kanaal is ijskoud en extreem sterk. De kans dat iemand dat overleeft...’
Hij maakte zijn zin niet af. Dat hoefde ook niet.
Een uur later zat ik ingewikkeld in een warme deken op de steiger van de haven. De eerste stralen van het ochtendgloren begonnen de grijze mist over de kade te verdrijven. Helena van der Meer werd afgevoerd in een geblindeerde politiewagen, omringd door zwaar bewapende eenheden.
Een duiker van de Marechaussee kwam uit het water geklommen en liep naar Berg toe. Hij schudde langzaam zijn hoofd.
‘Niets gevonden, rechercheur,’ zei de duiker. ‘De stroming heeft alles meegezogen richting de open Noordzee. We kunnen pas bij daglicht een grootschalige zoekactie starten, maar de overlevingskans is nul.’
Berg knikte ernstig en liep naar mij toe. ‘Fleur... het spijt me.’
Ik staarde naar het grijze water van de haven. In mijn hand klemde ik een klein object vast dat ik kort tevoren in de zak van mijn jas had gevonden — een klein, houten poppetje dat Julian me ooit cadeau had gegeven tijdens onze eerste vakantie samen.
Hij had zijn eigen vonnis getekend. Hij had geprobeerd zijn schuld in te lossen door de diepte in te springen voor een tegendgif dat hem wellicht toch niet meer had kunnen redden.
Charlotte ging naast me zitten en legde haar hoofd op mijn schouder. ‘Het is over, Fleur. We kunnen eindelijk naar huis.’
Ik keek naar de opkomende zon die de wolken boven de Noordzee in een zacht roze licht hulde.
Het was over. Maar de schaduwen van wat er gebeurd was, zouden voor altijd in ons leven gegrift staan.
Denk ik tenminste...
Want drie weken later, in een klein, rustig café aan de grachten van Utrecht, ontving ik een ongemerkte envelop via de post...






