"Niet bewegen!" schreeuwde de voorste man, zijn pistool direct op Bram richtend die met de ijzeren stang in zijn hand voor de deur stond.
Bram aarzelde geen seconde. Met een woeste kreet slingerde hij de ijzeren stang naar de aanvaller, die door de impact achteruit struikelde over de drempel. "Ga!" schreeuwde Bram naar ons toe. "Ga naar beneden!"
Mijn vader trok me mee naar het luik in de vloer. Hij tilde het zware, metalen luik omhoog, en daar verscheen een smalle, roestige ijzeren ladder die loodrecht naar beneden leidde in de gitzwarte diepte van de vuurtoren. De wind loeide door de schacht alsof we een vulkaankrater binnentraden.
"Lucas, schiet op!" riep ik naar mijn broer, die stokstijf stond te kijken naar de naderende indringers. Lucas schudde zijn verdoving van zich af, sprong als een bezetene naar voren en dook als eerste het luik in, zijn handen krampachtig om de sporten van de ladder geklemd.
Mijn vader volgde direct na hem. Ik keerde me nog even om en zag hoe Bram twee van de aanvallers wist tegen te houden door een zware stellingkast omver te duwen, maar een derde man trok zijn vuurwapen. Een schot weerkaatste door de kleine ruimte, de kogel boorde zich met een harde pang in het houten plafond net boven mijn hoofd. Houtsplinters vlogen door de lucht.
"Bea, naar beneden!" brulde Bram over het lawaai heen, terwijl hij zelf ook achteruit de schacht in dook.
Ik aarzelde niet langer en liet me vallen door het luik, mijn handen grijpend naar de koude, natte ijzeren sporten. We daalden af in een waanzinnige vaart, de wind gierde om onze oren en de regen sloeg door de ventilatiegaten naar binnen. Beneden ons hoorde ik de stemmen van de handlangers die boven op de verdieping stonden te tieren en te vloeken omdat we waren ontkomen.
Na wat een eeuw leek, bereikten we de stenen fundering op de begane grond. De houten nooddeur die naar de buitenlucht leidde, stond los en werd door de storm heen en weer geslagen.
"Naar de duinen!" schreeuwde mijn vader, toen we met zijn allen naar buiten buitelden in het woeste zand. De regen sloeg inend op onze gezichten, maar de kou voelde nu aan als een bevrijding. We renden als opgejaagde dieren door het mulle zand, weg van de vuurtoren, de donkere nacht in, op zoek naar de veiligheid van het hotel waar onze kleine dochter nog lag te slapen — of te wachten.






