De kou sloeg me direct in het gezicht zodra ik de automatische schuifdeuren van het grand hotel passeerde. De wind gierde om het gebouw en tilde mijn haren op, terwijl zoute zoutdruppels uit de lucht neerdaalden als fijne naalden. Zandvoort sliep, maar de elementen waren klaarwakker. De straatverlichting flakkerde onder de geweldige windstoten, en de schaduwen van de duinen leken te bewegen als levende wezens in het maanlicht dat af en toe door de zware stormwolken brak.
Ik hield mijn jas strak om me heen geslagen en tuurde de duisternis in. Lucas was naar links gegaan, richting de boulevard en de duinen die zich uitstrekten naar het noorden. Daar lag, verscholen tussen de helmgrasbegroeide heuvels, de oude vuurtoren — een monument uit een ander tijdperk dat allang niet meer in gebruik was als baken voor de scheepvaart, maar wel diende als een bekend oriëntatiepunt voor nachtelijke wandelaars.
Met elke stap die ik zette, kraakte het natte zand onder mijn zolen. De duisternis was op deze plek bijna tastbaar. Het leek alsof de stad achter me ophield te bestaan en ik een andere dimensie binnentrad, een wereld waarin de wetten van de logica niet meer golden. Hoe kon mijn vader brieven schrijven? Was de dood in onze familie slechts een illusoire optie geweest om aan iets verschrikkelijks te ontkomen?
Terwijl ik de voet van het duin opklom, zag ik in de verte een zwak, flakkerend licht. Het kwam van de historische vuurtoren. Een klein cirkeltje van warm, geel licht sneed door de zwarte duisternis. Iemand bevond zich daar. En gezien de afstand kon dat bijna niet anders dan Lucas zijn, of... iemand die op hem wachtte.
Ik hield me laag tegen de helling, beschermd door het hoge helmgras dat wild heen en weer zweepte in de wind. Mijn knieën trilden van de inspanning en de angst. Wat zou ik aantreffen als ik boven kwam? Zou ik geconfronteerd worden met een bende criminelen, of met een spook uit mijn eigen verleden?
Toen ik de top van het duin bereikte en kon afdalen naar de stenen basis van de vuurtoren, hield ik mijn adem in. De zware houten deur van de vuurtoren stond op een kier. Een smalle streep licht viel over het natte zand. Uit de opening klonk een gedempt stemgeluid. Ik sloop dichterbij, mijn hand tastend naar een losse steen of iets ter verdediging, hoewel ik wist dat ik machteloos zou zijn tegen een professionele bedreiging.
"...het risico is te groot geworden, Lucas," hoorde ik een diepe, bekende stem zeggen. De stem deed mijn hart stilte betrachten. Het was geen jonge stem, maar een doorleefde, barse stem vol autoriteit.
"Ik had geen keuze!" antwoordde Lucas, en zijn stem klonk paniekerig, bijna hysterisch. "Bea zat me op de hielen. Ze rook al nattigheid vanaf het moment dat we incheckten. Als zij het dossier vindt, is alles voorbij. Niet alleen voor ons, maar ook voor Bram."
"Bram is zwak," antwoordde de stem scherp. "Hij kan de druk niet aan. Dat wist je toen je hem erbij betrok. Maar het belangrijkste is dat het pakketje compleet is. Is de overdracht met de organisatie geregeld?"
"Ja," stamelde Lucas. "Morgenochtend bij zonsopgang op de pier. Dan is het voorgoed voorbij."
Mijn wereld stond stil. Mijn broer stond daar te praten met iemand die leefde, met iemand die mijn eigen vader moest zijn, en ze hadden het over een complot waar mijn man Bram kennelijk diep in betrokken was. Mijn vader was niet dood. Hij had zijn eigen dood in scene gezet om te ontkomen aan dezelfde duistere krachten die nu onze levens bedreigden.
Maar voor ik kon bedenken wat ik moest doen, hoorde ik achter me een plotseling knarsend geluid. Iemand liep op me af in het zand. Voordat ik me kon omdraaien, voelde ik een sterke hand op mijn schouder en een warme adem in mijn oren: "Stil maar, Bea. Je had hier niet moeten komen."






