De volgende ochtend werd ik gewekt door het trillen van mijn enkelband – een vriendelijke herinnering van de reclassering dat ik mij binnen de wettelijke kaders van mijn huisarrest bevond. Buiten stroomde de regen onverminderd voort. Mijn telefoon mocht ik niet meer gebruiken, maar ik had nog een oude, niet-geregistreerde smartphone die ik ooit had gekocht voor een reis naar het buitenland en die verborgen lag in mijn kledingkast. Met een knijpende maag schakelde ik het toestel in. Er was nog net voldoende prepaidtegoed om een anoniem bericht te sturen.
Maar naar wie? Ik mocht geen contact opnemen met collega's. En toch... er was één persoon die me op de dag van de inval een vreemde blik had toegeworpen bij de koffieautomaat. Thomas, de stille assistent van Lieke. Die jongen die altijd achter zijn dikke brillenglazen zat en ogenschijnlijk nooit een woord te veel sprak. Ik herinnerde me hoe hij vaak tot laat op kantoorbleef, lang nadat Lieke allang naar huis was gegaan. Hij was haar schaduw geweest. Als iemand wist waar Lieke haar digitale sporen liet, dan was hij het wel.
Met trillende vingers typte ik een kort bericht naar het nummer dat ik ooit stiekem uit de personeelsgids had overgeschreven: Ik weet dat je meer weet over Helix Holdings, Thomas. Ze laten jou ook vallen als een baksteen. We moeten praten.
Het bleef urenlang angstaanjagend stil. De uren verstreken in een eindeloze cyclus van ijsberend door mijn woonkamer lopen, starend naar het schermpje van de telefoon. Om zeven uur 's avonds, toen de straatverlichting aanflitste en de mist optrok boven de gracht, trilde het toestel plotseling in mijn hand.
Niet bellen. Niet appen via normale kanalen, stond er op het scherm. Ontmoet me om negen uur vanavond achter de parkeergarage bij het Centraal Station. Zorg dat je niet gevolgd wordt door de politie.
Mijn hart sloeg een slag over. Een ontmoeting in het holst van de nacht, illegaal vanwege mijn enkelband. Als de reclassering merkte dat ik mijn huis verliet, zou ik direct worden ingerekend en kon ik mijn celstraf tegemoet zien. Maar ik had geen keuze. Dit was mijn enige strohalm.
Met een schaar wist ik de stof van de enkelband zo te manipuleren dat het signaal tijdelijk werd afgeschermd door er aluminiumfolie omheen te wikkelen – een wanhopige trucs die ik ooit in een misdaadthriller had gezien, biddend dat het zou werken. Ik trok een donkere jas aan, sloeg een capuchon diep over mijn gezicht en glipte via de achteruitgang het donkere steegje in, op weg naar het station.






