Deel 9: Het complot ontrafeld
De angst die me na het telefoontje overviel, was verlammend. Mijn eigen moeder dreigde met de moord op mijn man. Ze was vanuit Marokko niet alleen bezig haar sporen uit te wissen, maar ze had klaarblijkelijk nog steeds handlangers in Nederland die bereid waren extreme misdrijven voor haar te plegen.
‘Frank! We moeten naar de stroomvoorziening van de IC!’ schreeuwde ik vol paniek.
Rechercheur Jansen, die inmiddels ook de kamer was binnengelopen nadat de ingehuurde privédetective was afgevoerd, pakte me bij de schouders. ‘Mevrouw Bakker, rustig! De beveiliging van de stroomvoorziening en de noodgeneratoren van het Amsterdam UMC behoren tot de hoogste veiligheidscategorieën. Niemand kan zomaar een ziekenhuisstroomnet platleggen.’
‘U kent mijn moeder niet!’ schreeuwde ik wanhopig. ‘Ze bluft niet! Ze heeft geld en ze gebruikt mensen!’
Frank van der Meer keek rechercheur Jansen strak aan. ‘Jansen, onderzoek de contacten van Karel de Wit direct. Welke bedrijven of onderhoudsfirma’s werkten voor zijn onderneming? Heeft hij banden met het technische onderhoud van dit ziekenhuis?’
Jansen fronste zijn wenkbrauwen, pakte zijn diensttelefoon en begon op te bellen. Het bleef minutenlang stil in de gang, een stilte die aan mijn zenuwen vrat.
Ondertussen werd Lieke wakker van het kabaal. Ze zat rechtop in haar bedje en keek me met grote, angstige ogen aan. ‘Mama... wie was die meneer?’
Ik liep naar haar toe en ging op de rand van haar bed zitten. Ik dwong jezelf om te glimlachen, hoe pijnlijk het ook voelde. ‘Het was niemand, schatje. De politie beschermt ons. Er kan jullie helemaal niets gebeuren.’
Sofie sliep gelukkig door, ondersteund door de pijnstilling en de warme deken.
Jansen kwam met een lijkbleek gezicht terug de kamer in gelopen.
‘Mijn god,’ fluisterde de rechercheur. ‘Van der Meer had gelijk.’
Mijn hart leek stil te staan. ‘Wat is er?!’
‘Het installatiebedrijf dat het preventieve onderhoud doet aan de noodgeneratoren van dit ziekenhuiscomplex... is een dochteronderneming van het vastgoedbedrijf van uw vader,’ zei Jansen haastig. ‘Er staat voor vannacht drie uur een ingepland onderhoud op het rooster voor de technische ruimte in de kelder!’
Ik keek op de klok aan de muur. Het was vijf voor drie.
‘Ze gaan het nu doen!’ riep ik.
Jansen trok zijn dienstwapen uit de holster. ‘Iedereen blijft hier! Ik roep het arrestatieteam naar de kelder!’
Jansen stormde de gang uit. Frank keek me aan. ‘Marieke, blijf bij de kinderen. Ik ga met Jansen mee.’
‘Nee! Ik ga mee!’ zei ik vastberaden. ‘Thomas ligt op de IC! Ik laat mijn man niet sterven!’
‘Marieke, het is te gevaarlijk...’ begon Frank, maar ik luisterde al niet meer. Ik wenkte de achtergebleven gewapende politieagent om streng bij de deur van mijn dochters te blijven staan, en rende achter Jansen en Frank aan richting de liften.
We namen de trappen naar de kelders van het immense ziekenhuiscomplex. Het was er koud, vochtig en het rook naar olie en beton. Onze voetstappen echoden luid tegen de kale muren.
Toen we de zware, stalen deur van de hoofdschakelruimte naderden, zagen we dat de deur op een kier stond. Binnen klonk het gezoem van hoogspanningstransformatoren, maar ook het geluid van gereedschap dat tegen metaal tikte.
Jansen gebaarde dat we stil moesten zijn. Hij duwde de stalen deur met zijn voet verder open en richtte zijn pistool naar binnen.
‘POLITIE! HANDEN OMHOOG! LAAT JE GEREEDSCHAP VALLE!’ brulde Jansen.
In de schemerige ruimte stond een man in een grijs onderhoudsuniform over het hoofdvoedingspaneel gebogen. In zijn hand hield hij een grote kniptang en een vloeistofspuit gevuld met een bijtende chemische stof die ontworpen was om de hoofdkabels door te branden en kortsluiting te veroorzaken.
De man schrok zo hevig dat hij de tang liet vallen. Hij keek ons met opengesperde ogen aan.
‘Ik... ik voer alleen maar opdrachten uit!’ schreeuwde de monteurs angstig, terwijl hij zijn handen in de lucht stak.
‘Wie heeft je betaald?!’ snauwde Jansen, terwijl hij de man tegen het schakelbord klemde en hem in de boeien sloeg.
‘Meneer De Wit!’ riep de man in paniek uit. ‘Karel de Wit! Hij belde me een uur geleden vanuit het buitenland! Hij zei dat er een fout in de kabels zat en dat ik de stroom voor tien minuten moest uitschakelen om een lek te dichten! Hij bood me vijftigduizend euro cash!’
Ik leunde tegen de muur van de kelder, mijn ademhaling schokkend. Het was mijn vader geweest. Niet mijn moeder, maar mijn vader zelf die de opdracht had gegeven om de stroom uit te schakelen. De man die beweerde dat hij alleen maar toegiften deed aan zijn vrouws boosheid, was een actieve medeplichtige in poging tot moord op zijn eigen schoonzoon.
‘Het is voorbij,’ fluisterde Frank, die het paneel inspecteerde. ‘De kabels zijn onbeschadigd. De IC heeft geen seconde zonder stroom gezeten.’
Jansen keek de monteur grimmig aan. ‘Je gaat heel lang de cel in, vriend. Maar eerst ga je ons vertellen hoe we Karel de Wit kunnen lokaliseren.’
De monteur slikte hevig. ‘Ik... ik weet waar ze zijn! Karel zei dat ik hem moest terugbellen op een Marokkaans nummer zodra het werk gedaan was. Hij zit in een hotel in Tanger!’
Ik keek rechercheur Jansen aan. De internationale klem rond mijn ouders sloot zich. Maar er was één ding dat we niet voorzien hadden: een kat in het nauw maakt rare sprongen.






