Mijn ouders stuurden mijn twee dochters weg met Kerstmis
News Story

Mijn ouders stuurden mijn twee dochters weg met Kerstmis

5 weergaven

Deel 11: De bekentenis en de rechtszaak

Drie maanden later.

De lente was zachtjes begonnen in Amsterdam. De koude, ijskoude Kerstnacht leek een eeuwigheid geleden, al dragen de littekens in ons hart nog steeds de sporen van die vreselijke avond.

Thomas zat in een rolstoel bij het raam van onze woonkamer. Hij was enorm vooruitgegaan; zijn hartfunctie was door een succesvolle operatie en intensieve revalidatie aanzienlijk hersteld. Hij kon alweer kleine stukjes lopen, al had hij nog veel rust nodig.

In de tuin waren Lieke en Sofie aan het spelen. Sofie rende lachend achter een bal aan, haar kleine handjes doorgrooid met een gezond roze kleurtje—de bevriezingsverschijnselen waren dankzij snelle medische zorg zonder blijvende schade genezen. Lieke keek lachend toe hoe haar zusje struikelde over het gras.

Frank van der Meer zat bij ons aan de eettafel met een dik stapel juridische documenten.

‘Het Openbaar Ministerie heeft het einddossier afgerond,’ zei Frank rustig terwijl hij een slok thee nam. ‘De rechtszaak tegen Karel en Elsbeth de Wit begint volgende week voor de rechtbank in Amsterdam.’

Ik ging tegenover hem zitten en vouwde mijn handen samen. ‘Hoe gaat het met de uitlevering van mijn vader uit Marokko?’

‘Karel is twee weken geleden uitgeleverd aan Nederland,’ legde Frank uit. ‘Hij heeft niet gestreden tegen zijn uitlevering. Sterker nog, hij heeft een volledige, schriftelijke bekentenis getekend waarin hij niet alleen zichzelf beschuldigt van medeplichtigheid, maar ook tot in detail uitlegt hoe Elsbeth de leiding had over de verduistering en de poging tot moord op Thomas via de stroomvoorziening.’

‘En mijn moeder?’ vroeg ik zacht.

Frank keek me ernstig aan. ‘Elsbeth heeft geprobeerd haar geestesgestoordheid te veinzen in de penitentiaire inrichting van Ter Peel, waar ze vastzit. Ze heeft geweigerd om te praten met psychiaters. Maar het Pieter Baan Centrum heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. De conclusie is klip en klaar: ze is volledig toerekeningsvatbaar. Ze vertoont extreme trekken van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met psychopathische trekken.’

‘Wat hangt hen boven het hoofd?’ vroeg Thomas vanaf zijn stoel bij het raam.

‘De eis van de officier van justitie is niet milt,’ zei Frank grimmig. ‘Tegen Elsbeth wordt veertien jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist voor poging tot doodslag op twee minderjarigen, poging tot moord met voorbedachten rade op Thomas, grootschalige verduistering en valsheid in geschrifte. Tegen Karel wordt zes jaar geëist vanwege zijn actieve medewerking aan het sabotageplan en de verduistering.’

Ik keek naar buiten, naar mijn twee spelende dochters. ‘Moeten de kinderen getuigen?’

‘Nee,’ zei Frank beslist. ‘De videobeelden van de Ring-deurbel van de buren, gecombineerd met de getuigenis van de voorbijganger en de medische rapporten, zijn meer dan voldoende bewijs. Ik heb ervoor gezorgd dat de rechter Lieke en Sofie niet naar de rechtbank roept. Ze hoeven die monsters nooit meer te zien.’

Een week later zat ik in de volgepakte zaal van de rechtbank in Amsterdam. Thomas zat naast me, steunend op zijn wandelstok. Frank zat aan de tafel van de benadeelde partij.

Aan de overzijde van de zaal werden de twee verdachten binnengebracht door de parketpolitie.

Mijn vader, Karel, zag er gebroken uit. Hij was tientallen kilo’s afgevallen, zijn haren waren grijs geworden en hij keek strak naar de grond. Hij durfde mijn ogen niet eens aan te kijken.

Toen werd mijn moeder binnengetuige.

Elsbeth de Wit droeg een strak, zwart mantelpakje. Haar haaren waren strak opgestoken. Ze liep met een opgeheven hoofd de zaal binnen, alsof ze een eregast was op een chique gala. Geen spatje spijt, geen spoor van schaamte. Toen ze langs onze bank liep, keek ze me recht in de ogen aan en glimlachte minachtend.

Die blik maakte iets in mij wakker. De angst die ik maandenlang had gevoeld, veranderde op dat exacte moment in een onverwoestbare kracht.

De rechter sloeg met zijn hamer. ‘De zitting is geopend.’

De officier van justitie begon met het voorlezen van de tenlastelegging. Elke zinsnede sneed door de zaal: het achterlaten van twee kleine meisjes in de vrieskou van min vijf graden, de poging om de stroom van een ziekenhuis-IC uit te schakelen, de verduistering van het geld van de kleinkinderen.

Toen de officier klaar was, kreeg ik het woord om mijn slachtofferverklaring voor te lezen.

Ik stond op van de bank, pakte het papiertje in mijn handen en stapte naar de microfoon. Ik keek niet naar de rechters. Ik keek recht naar de vrouw die mij het leven had gegeven.

‘Elsbeth,’ begon ik met een luide, onbeweeglijke stem die door de hele zaal galmde. ‘Jij dacht dat je ons kapot kon maken...’