Deel 8: De dreiging op de afdeling
De deken van angst die over me heen viel was verstikkend. Mijn moeder was niet zomaar op de vlucht; ze was een gevaarlijk dier in het nauw geworden dat bereid was alles te verwoesten om haar eigen huid te redden. Ze wist dat de verklaring van de achtjarige Lieke—samen met de videobeelden—haar en mijn vader definitief achter de tralies zou zetten voor poging tot doodslag en kindermishandeling.
‘Ze willen de kinderen ontvoeren?!’ mijn stem sloeg over in een schrille kreet. ‘Hier? Uit het ziekenhuis?!’
‘Rustig, Marieke,’ zei Frank vastberaden, terwijl hij zijn hand op mijn arm legde. ‘Ze weten niet dat wij op de hoogte zijn van hun plannen. En ze weten niet dat rechercheur Jansen de beveiliging van het ziekenhuis al heeft opgeschaald.’
Toch kon ik de paniek niet onderdrukken. Ik keek naar Thomas, die zwak in zijn bed lag. Hij probeerde rechtop te gaan zitten, maar de monitoren begonnen direct luid te piepen.
‘Marieke... ga naar de meisjes,’ bracht Thomas er met moeite uit. Zijn ogen smeekten me. ‘Laat ze geen seconde alleen. Alsjeblieft.’
‘Ik ga niet bij ze weg, dat beloof ik je,’ zei ik stevig. Ik kuste hem snel op zijn voorhoofd en rende samen met Frank terug naar de afdeling kindergeneeskunde.
Toen we de gang van de kinderafdeling in liepen, viel het me direct op dat de sfeer veranderd was. Er stond een gewapende agent van de nationale politie bij de balie te praten met een zuster. Maar voor de deur van kamer 114—de kamer van Lieke en Sofie—stond een man die er niet thuishoorde.
Hij droeg een donkerblauwe overjas, een zwarte pet die diep over zijn ogen was getrokken, en hij hield een klembord vast alsof hij van de technische dienst was. Maar zijn houding was onrustig. Hij keek voortdurend om zich heen en zijn hand rustte in de zak van zijn jas.
Mijn moederhart sloeg alarm.
‘Frank...’ fluisterde ik, terwijl ik stilhield in de gang. ‘Wie is die man?’
Frank keek strak naar de man bij de deur. ‘Hij draagt geen ziekenhuisbadge. Blijf achter mij.’
Op dat moment pakte de man de klink van de kamerdeur van mijn dochters en duwde de deur zachtjes open. Hij stapte naar binnen.
‘NEE!’ schreeuwde ik.
Ik vergat alle voorzichtigheid en rende als een woeste leeuwin door de gang. Frank en de gewapende agent bij de balie schrokken op van mijn schreeuw en kwamen direct achter me aan.
Ik stoof de kamer binnen. De man stond over het bed van de kleine Sofie gebogen. Hij hield een klein digitaal fototoestel vast en was bezig een foto van het slapende meisje te maken. In zijn andere hand hield hij een mobiele telefoon die op luidspreker stond.
Uit de telefoon klonk de haarscherpe, kille stem van mijn moeder:
‘Is dat haar? Zorg dat je de oudste ook op de foto zet, zodat het opvangteam precies weet hoe ze eruitzien...’
Mijn bloed kookte. Vóór de man kon reageren, greep ik een zware glazen waterkan die op het nachtkastje stond en sloeg die met volle kracht tegen zijn schouder.
De man schreeuwde het uit van pijn en liet de camera vallen, die op de harde vloer in duizenden stukjes uit elkaar spatte.
‘Vuile teringhond!’ brulde de agent, die als een stormwind de kamer binnenkwam. Hij tackelde de man genadeloos tegen de grond. De klembord vloot door de lucht en de man werd hardhandig in de boeien geslagen.
De telefoon van de man rolde over de linoleumvloer. De verbinding was nog steeds open.
Ik raapte de telefoon op en hield hem bij mijn oor.
‘Mam?’ zei ik, mijn stem koud als ijs en trillend van ingehouden woede.
Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Toen klonk de stem van Elsbeth de Wit, ditmaal niet boos, maar lichtelijk verrast.
‘Marieke?’ zei ze met een gespeelde, zachte toon. ‘Wat jammer dat je er tussenkomt. Je had het jezelf zoveel makkelijker kunnen maken als je gewoon had meegewerkt.’
‘Je bent een krankzinnige psychopaat,’ zei ik, terwijl ik naar de geboeide man op de grond keek. ‘Je stuurt criminelen naar het ziekenhuis om je eigen kleinkinderen te fotograferen?! Denk je echt dat je hier mee wegkomt?’
Mijn moeder lachte. Het was een droge, vreugdeloze lach die me tot op het bot deed rillen.
‘Mijn lieve Marieke... je hebt geen idee waar ik toe in staat ben als mijn vrijheid op het spel staat,’ zei ze ijskoud. ‘Ik ben al in Marokko. Hier reikt de Nederlandse arm der wet heel kort. En als jij denkt dat je veilig bent in dat ziekenhuis, heb je het mis. Dit was pas de eerste waarschuwing. Trek de aangifte in, of ik zorg ervoor dat je man de ochtend niet haalt.’
Mijn adem stokte in mijn keel. ‘Wat zeg je?!’
‘Vraag jezelf eens af hoe gemakkelijk het is om de stroom van de Intensive Care-afdeling te onderbreken,’ fluisterde mijn moeder gifgroen door de lijn. ‘Fijne kerst nog, mijn dochter.’
De verbinding werd verbroken.
Ik staarde naar de zwarte telefoon in mijn hand. De dreiging was niet langer alleen gericht op de kinderen. Mijn moeder stond op het punt om Thomas te vermoorden.






