Deel 3: De verborgen kelder
Mijn adem stokte in mijn keel toen mijn ogen fixeerden op de spuit in Daniels hand. De glazen cilinder was gevuld met een stroperige, duistere vloeistof die glinsterde onder het koele licht van de hanglamp. De man van wie ik hield, de man die beloofd had mij te beschermen tegen alles in de wereld, stond nu tegenover mij als een vreemde beul in een keurig gestreken overhemd.
"Wat is dat, Daniel?" schreeuwde ik, terwijl ik een stap achteruit deed en met mijn rug tegen de leuning van de bank stootte. "Wat doe je met mij?!"
"Ik bescherm je, Elena," antwoordde hij met een beangstigende rust in zijn stem. Hij zette geen stap sneller, maar schoof gestaag dichterbij, Alsof hij een wild dier in de val probeerde te lokken. "Je begrijpt het nu nog niet. Je brein is vertroebeld door de afbraakfase. Maar het is noodzakelijk. Alles wat ik doe, doe ik voor ons."
"Je vergiftigt me! Ik ben bij het laboratorium geweest! Ik weet wat er in die soep zit!"
Daniel stopte abrupt. Een schok van pure verbazing trok over zijn gezicht, snel gevolgd door een vlaag van diepe teleurstelling. Hij schudde langzaam zijn hoofd, Такжеf ik een ernstige regel had overtreden. "Je had niet naar buiten mogen gaan, Elena. Het immuunsysteem is nu veel te zwak. Een simpele bacterie uit de buitenwereld kan het hele proces verpesten."
"Welk proces?!" gilde ik.
In plaats van te antwoorden, deed hij een snelle uitval naar voren. Daniel was altijd sterker en sneller geweest, maar de adrenaline die door mijn aderen gierde gaf me een ongekende kracht. Ik greep de zware glazen vaas die op de sjoelbak naast de bank stond en haalde met volle kracht uit.
De vaas raakte zijn schouder en spatte uit elkaar op de hardhouten vloer. Daniel struikelde, verrast door mijn agressie, en de injectiespuit glipte uit zijn vingers en rolde onder de kast.
Ik wachtte niet om te zien hoe hij herstelde. Ik keerde me om en rende zo hard als ik kon naar de achterdeur. Ik greep de klink en duwde met mijn volle gewicht, maar de deur gaf niet mee. Hij was op slot. De sleutel was verdwenen uit het sleutelgat.
"Daniel!" schreeuwde ik in paniek.
"Je komt het huis niet uit, Elena," klonk zijn stem achter mij, nu ontdaan van elke vorm van emotie. Hij richtte zich langzaam op en veegde wat stof van zijn mouw. "Het is voor je eigen veiligheid. De buitenwereld is momenteel dodelijk voor je."
Ik draaide me om en zag hem tussen mij en de voordeur staan. De enige andere vluchtroute was de gang naar achteren, richting de werkkamer en de garage. Zonder na te denken rende ik de gang in. Mijn sokken gleden over het gladde parket, maar ik wist mijn balans te bewaren. Ik hoorde zijn zware voetstappen achter mij vorderen.
Ik schoot de werkkamer binnen en sloeg de deur achter me dicht. Mijn vingers zochten haastig naar het slot, maar de sleutel ontbrak ook hier. Wanhopig keek ik rond in het halfdonker. De gordijnen in deze kamer waren al dichtgemaakt. Er was geen uitweg via het raam zonder het glas te breken en mezelf zwaar te verwonden.
Toen viel mijn oog op de deur van de inloopkast aan de achterzijde van de kamer. Een kast waarvan Daniel altijd had beweerd dat hij vol lag met oude administratie en gereedschap—en die steevast op slot zat. Maar vanavond stond de deur op een kier. Een smalle strook blauwachtig licht scheen uit de opening op het tapijt.
Met het geluid van Daniels naderende stappen op de gang, slipte ik de kast in en trok de deur bijna helemaal dicht, lijkend op een schuilplaats. Maar toen ik me omdraaide om een zwaar voorwerp te zoeken om de deur te barricaderen, zag ik dat het geen gewone kast was.
Achter de klerenhangers bevindt zich een houten paneel dat op zij was geschoven, en daarachter leidde een steile, betonnen trap naar beneden, de diepte in. De kelder. Ons huis had volgens de bouwtekeningen helemaal geen kelder.
De stank die uit het gat omhoog steeg was onverdraaglijk. Het was dezelfde aarde-achtige, metaalachtige geur die in de soep zat, maar dan tien keer zo sterk, vermengd met de geur van ontsmettingsmiddel en chemische vloeistoffen.
"Elena?" Daniels stem klonk nu vlak voor de kamerdeur. "Komen er nou gewoon uit. Maak het niet erger."
Ik had geen keus. Ik stapte over de drempel en begon haastig de steile trap af te afdalen in het schemerlicht. De trepen voelden koud aan onder mijn blote voeten. Met elke stap die ik zette, werd het geluid van mijn eigen raspende ademhaling luider.
Onderaan de trap kwam ik terecht in een grote, rechthoekige ruimte die leek op een clandestien laboratorium gecombineerd met een intensive care afdeling. Tegen de muren stonden roestvrijstalen kasten vol glazen flessen, injectienaalden, infuuszakken en complexe apparatuur die zachtjes piepte en zoemde. In het midden van de ruimte stond een operatietafel onder een felle, halogeen lamp.
Maar wat mijn aandacht trok—wat mijn hart vrijwel liet stilstaan van pure afgrijzen—was de glazen wand aan de achterkant van de kelder.
Achter dat dikke glas bevond zich een transparante, vloeistof-gevulde cilinder. En in die cilinder zweefde iets wat leek op een menselijk gedaante. Een lichaam, verbonden met tientallen dunne slangetjes en kabels die naar een monitor leidden die traag een zwakke, ritmische hartslag weergaf.
Ik zette langzaam een stap dichterbij, alsof ik werd voortgetrokken door een afschuwelijke magneet. Mijn hand raakte het ijskoude glas.
De vloeistof in de tank was licht vertroebeld, maar toen de interne verlichting aansprong, werd het gelaat van de persoon in de tank haarscherp zichtbaar.
Het was geen vreemde.
Het gezicht dat roerloos in de vloeistof dreef, met gesloten ogen en een ademmasker op, was op een paar kleine details na... exact hetzelfde gezicht als dat van mij.
Het was mijn eigen gezicht.
* * *






