DE SCHADUW ACHTER DE GARAGEDEUR
News Story

DE SCHADUW ACHTER DE GARAGEDEUR

0 weergaven

Deel 7: De vallei van de Biesbosch en de verdwenen code

De felle rode halogeenlampen achter ons sneden als bloedrode zwaarden door de dichte grondmist van de Brabantse polder. Het waren zware, zwarte terreinwagens, verhoogd en uitgerust met bullbars. Ze hielden geen afstand, maar kwamen met een verwoestende snelheid dichterbij.

‘Houd je vast!’ schreeuwde Sarah.

Ze hoekte het stuur hard naar links. De oude Volvo vloog over een smalle houten brug die de toegang markeerde tot de ruige, moerassige randen van de Biesbosch. Het onderstel van de wagen schraapte met een afschuwelijk gekrijs van metaal over de verhoogde rand van de brug. Vonken regenden door de nacht.

Achter ons beukte de voorste terreinwagen zonder af te remmen tegen de houten leuning van de brug. Het hout splinterde met een harde klap en de volgwagen ramde vol in de achterkant van onze wagen.

Een hevige schok sloeg door mijn wervelkolom. De vrouw op de achterbank slaakte een ijselijke kreet toen het gebarsten glas van de achterruit definitief in duizenden scherpe stukjes uiteenspatte.

‘Ze willen ons van de weg drukken!’ riep ik, terwijl ik me wanhopig vasthield aan de handgreep boven het portier.

‘Ze willen de tas!’ snauwde Sarah. Ze schakelde terug, liet de motor brullen en stuurde de wagen over een onverhard, modderig dijkpad. Aan weerszijden van het pad rezen de donkere, grillige contouren op van rietvelden en diep, zwart water. Eén verkeerde stuurfout en we zouden verdrinken in de moerassen.

Ik opende haastig het zwarte notitieboekje van Clara dat op mijn schoot lag. Met de kleine zaklamp verlichtte ik de pagina's. Tussen de kolommen met cijfers, data en straatnamen stonden handgeschreven aantekeningen.

‘Project Biesbosch - Kavel 44. De kelder onder de oude pompinstallatie. De toegang is beveiligd met een meervoudige numerieke code. De sleutel is de datum van onze trouwdag, maar dan in omgekeerde volgorde.’

Mijn hart oversloeg een slag. Onze trouwdag. 14 mei 2012.

Omgekeerd: 2102514.

‘Ik heb de toegangscode!’ schreeuwde ik tegen Sarah door het lawaai van de brullende motor en het beukende metaal. ‘Het is de kelder onder de oude pompinstallatie op kavel 44!’

‘Kavel 44 is hier drie kilometer vandaan!’ riep Sarah terug, terwijl ze woest aan het stuur trok om een nieuwe beuk van de terreinwagen te ontwijken. ‘Maar we redden het nooit over deze dijk! Ze rijden ons klem voor de eerste bocht!’

‘Rijd naar het water!’ klonk plotseling de heese stem van de vreemde vrouw vanaf de achterbank.

Ik keek om. Ze was overeind gekomen. Haar gezicht was bedekt met roet en haar ogen schitterden van een wanhopige vastberadenheid.

‘Aan het einde van deze dijk staat een oude steiger voor vissersboten,’ zei ze haastig, alsof haar herinneringen langzaam terugkwamen uit een diepe droom. ‘Henrik bracht me daar weleens heen in de nacht… Er ligt een houten platbodem met een buitenboordmotor!’

Sarah wierp een snelle blik in de binnenspiegel. ‘Ben je daar zeker van?’

‘Ja! Dwing ze om naar rechts te kijken en stuur dan de steiger op!’

Sarah aarzelde niet. Ze trapte de remmen vol in. De Volvo maakte een gevaarlijke glijpartij over de drassige modder. De voorste terreinwagen, die ons met volle snelheid wilde rammen, schoot door de plotselinge vertraging langs ons heen en vloog met een gigantische plons het diepe water van de vaart in. Een fontein van zwart water en modder steeg op.

‘NU!’ schreeuwde Sarah.

Ze stuurde de rokende Volvo een smal, overwoekerd pad op dat recht naar de oevers van de Biesbosch leidde. De overgebleven twee terreinwagens moesten vol in de ankers om de gecrashte wagen te ontwijken, wat ons een paar kostbare seconden voorsprong gaf.

Aan het einde van het pad dook inderdaad een verrotte houten steiger op. Daarachter lag het duistere, rimpelende water van de rivier.

Sarah bracht de wagen met een smak tot stilstand tegen een houten paal. ‘Eruit! Allemaal eruit!’

We sprongen uit de auto. De snijdende wind over het water sloeg direct op onze longen. Aan de steiger lag inderdaad een verwaarloosde, houten werkboot afgemeerd. Een oude tweecilinder buitenboordmotor hing achter aan de spiegel.

Ik hielp de verzwakte vrouw in de boot en klom zelf over de rand. Sarah snijd met een scherp zakmes de afmeertrossen los en sprong als laatste aan boord.

‘Marcus, trek aan die startkabel!’ brulde ze.

Ik greep de vette handgreep van de starterlijn en trok met al mijn kracht. De motor pruttelde, hoestte zwarte rook uit, maar sloeg niet aan.

In de verte op de dijk sprongen de deuren van de overgebleven terreinwagens open. Gewapende mannen in zwarte kleding kwamen rennend de steiger op stormen.

‘Trek nog eens!’ gilde Sarah.

Ik zette mijn voet tegen de motor, klemde mijn tanden op elkaar en trok het koord met een woeste ruk uit het carter.

De motor sloeg met een hard gedaver aan. Een blauwe wolk van verbrande olie vulde de lucht. Sarah greep de helmstok en gaf vol gas. De boot schoot weg van de steiger, precies op het moment dat de eerste kogels over het water floten en doffe inslagen maakten in het houten spant van de boeg.

We doken weg op de bodem van de boot, terwijl de houten steiger snel achter ons verdween in de dikke mist over het water.

De stroom van de rivier was sterk. De boot stampte door de golven, dieper het duistere, onherbergzame hart van de Biesbosch in.

Na tien minuten varen dook er door de flarden van de mist een gigantische, zwarte gedaante op aan de oever.

Het was het oude Pompstation Kavel 44. Een vervallen, betonachtig gebouw uit de jaren vijftig, overwoekerd door klimop en half weggezakt in de moerassige grond.

Er brandde geen enkel licht. Alles was doodstil.

Sarah legde de boot voorzichtig aan bij de verroeste stalen buizen van de inlaat.

‘Hier is het,’ fluisterde ze.

We klommen aan wal. Mijn benen voelden zwaar als lood. Mijn handen trilden nog steeds van de kou en de spanning. Ik klemde het notitieboekje vast.

We naderden de zware stalen deur van de kelderingang aan de achterzijde van het gebouw. Een digitaal cijferslot, verlicht door een klein rood LED-lampje, glom in de duisternis.

Ik stapte naar voren en toetste met trillende vingers de code in: 2 - 1 - 0 - 2 - 5 - 1 - 4.

Er klonk een zachte piep. Het rode lampje sprong op groen.

Met een zwaar, mechanisch geklak ontgrendelde de hydraulische sluiting.

Ik haalde diep adem, pakte het stalen handvat vast en trok de zware deur open.

De ruimte erachter was niet donker.

Een fel, koud TL-licht verlichtte een strakke, ondergrondse gang van kaal beton.

En aan het einde van die gang, vastgebonden op een stalen stoel onder de kille lampen, zat een vrouw.

Haar hoofd hing voorover, haar haren bedekten haar gezicht.

‘Clara…?’ fluisterde ik, en mijn stem brak.

Toen tilde de vrouw langzaam haar hoofd op.

En toen ik haar gezicht zag, voelde het alsof de grond onder mijn voeten definitief wegviel.