Deel 14: De ontmaskering van de macht en het laatste vuur
Het flauwe schijnsel van onze zaklamp belichtte het strakke, meedogenloze gezicht van de rechercheur. Zijn naamplaatje, dat tijdens de inval op zijn kogelvrije vest had gezeten, was verdwenen. Hij droeg nu een dure, merkloze mantel die hem het uiterlijk gaf van een zakenman eerder dan een dienaar van de wet.
‘Inspecteur Jansen…’ zei ik hees, terwjl ik het metalen kistje stevig tegen mijn borst gedrukt hield. ‘Of moet ik zeggen: de echte leider van het netwerk?’
Een dunne, kille glimlach verscheen op het gezicht van de man.
‘Clara was briljant,’ zei Jansen rustig, terwijl hij een stap dichterbij zette over het met bladeren bedekte pad van de begraafplaats. ‘Maar ze werd roekeloos. Ze dacht dat ze mij kon buitenspel zetten met haar notitieboekjes en haar geheime kluisjes. Ze dacht dat ze de miljoenen alleen kon houden.’
‘Jij hebt haar laten vergiftigen in het ziekenhuis,’ zei ik, en de afschuw droop uit mijn stem.
‘Een noodzakelijke zakelijke beslissing,’ antwoordde Jansen ijskoud. ‘Ze wist te veel. En toen ze ontdekte dat ik Henrik had opdracht gegeven om haar zoon bij haar weg te houden als borgstelling… begon ze emotioneel te worden. Emoties zijn dodelijk in onze branche, Marcus. Dat zou jij inmiddels toch moeten weten.’
Thomas deed een stap naar voren, zijn vuisten gebald. ‘Je bent een vuile, corrupte hond!’
BANG!
Het gedempte schot klonk als een scherpe zweepslag in de stilte van de begraafplaats.
Thomas slaakte een kreet en viel achterover in het natte gras. Hij greep naar zijn bovenbeen, waar het bloed direct door zijn broekspijp begon te sijpelen.
‘THOMAS!’ schreeuwde ik. Ik wilde naar hem toe buigen, maar Jansen richtte het pistool direct op mijn voorhoofd.
‘Blijf staan, Marcus,’ snauwde Jansen. ‘Het volgende schot gaat tussen je ogen. Geef me dat kistje. Nu.’
Ik keek naar Thomas, die kermend van de pijn in het gras lag. Daarna keek ik naar het kistje in mijn handen. De papieren die het bewijs vormden dat mijn zoon nog leefde, dat Lukas ergens daarbuiten was, vastgehouden door Henrik als een wisselgeld in een vuil spel van de macht.
‘Als ik je het kistje geef…’ zei ik met een heese, wanhopige stem, ‘laat je mijn broer dan leven?’
Jansen lachte zacht. ‘Je bent nog steeds diezelfde naïeve, goedgelovige man die twaalf jaar lang achter een fantoom aan liep. Denk je nou werkelijk dat ik getuigen in leven laat?’
Hij spande de haan van zijn pistool.
Op dat exacte moment klonk er vanuit het dichte struikgewas achter de gedenktekens een luid, krachtig geluid.
Het was het gebrul van een zware, opgewonden politiehond.
WOEF! WOEF! WOEF!
Een enorme Mechelse herder vloog met een waanzinnige snelheid uit de duisternis tevoorschijn en lanceerde zichzelf recht op de arm van Jansen.
Jansen slaakte een wilde kreet van schrik toen de scherpe tanden van de hond zich diep in zijn onderarm boorden.
Het pistool vloog uit zijn hand en kletterde over de grafstenen.
‘POLITIE! HANDEN OMHOOG! NIET BEWEGEN!’ brulden meerdere stemmen tegelijk.
Felle, verblindende zoeklichten sprongen aan vanaf de rand van de begraafplaats. Tientallen zwaar bewapende agenten van de Dienst Speciale Interventies (DSI) stormden het terrein op, hun wapens strak gericht op Jansen die worstelde met de politiehond.
Achter de arrestatieteams stapte een oudere man naar voren. Hij droeg een lange regenjas en had een strakke, grijze baard.
Het was de Hoofdcommissaris van de Landelijke Eenheid.
‘Het is voorbij, Jansen,’ sprak de commissaris met een zware, diepe stem. ‘We volgen je mobiele signaal al sinds je het ziekenhuis in Tilburg verliet. We weten alles.’
Jansen werd met geweld naar de grond gewerkt door drie gemaskerde agenten. De handboeien klikten strak om zijn polsen.
Ik zakte door mijn knieën naast Thomas en drukte mijn handschoen stevig op de wond in zijn been om het bloeden te stelpen. ‘Hou vol, broer… hou vol. Er is hulp.’
De hoofdcommissaris wandelde langzaam naar ons toe. Hij keek naar mij, daarna naar het geopende metalen kistje in het gras, en ten slotte naar de gewonde Thomas.
‘Marcus van Dijk?’ vroeg de commissaris zacht.
Ik keek op, mijn ogen vol tranen van spanning en uitputting. ‘Ik heb het niet gedaan… Ik zweer het u. Ik heb niemand neergeschoten.’
De commissaris knikte langzaam. ‘We weten het, Marcus. We hebben de opnames van de beveiligingscamera's uit het pompstation en het ziekenhuis geanalyseerd. En we hebben de verklaring van de vrouw die je uit de garage hebt gered. Je bent vrij van alle blaam.’
Hij buikte voorover en hielp me overeind.
‘Het spijt ons dat we je niet eerder hebben geloofd,’ zei de commissaris ernstig. ‘Het netwerk zat dieper in onze eigen organisatie verwoven dan we ooit hadden durven vermoeden. Maar dankzij jouw volharding… is het doek definitief gevallen.’
Ik greep de arm van de commissaris vast. Mijn vingers trilden hevig.
‘Mijn zoon…’ stamelde ik. ‘Lukas… Hij is bij Henrik Vance! Je moet hem redden!’
De commissaris keek me strak aan en pakte zijn portofoon.
‘Team Alpha, dit is de commissaris,’ sprak hij in het apparaat. ‘Vance is gespot bij het oude roodstenen huis aan de parkrand van Breda. Hij probeert het kind mee te nemen in een zwarte bestelbus. Grijp direct in. Ik herhaal: grijp direct in!’
Een zachte piep klonk door de portofoon, gevolgd door het krassende geluid van een agent ter plaatse:
‘Commissaris! Vance is bewapend en heeft zich met het kind verschchanst in het huis! Hij dreigt het gebouw op te blazen als we dichterbij komen!’
Mijn hart veranderde in een ijspegel.
Ik keek naar de commissaris. ‘Breng me daarheen,’ zei ik met een stem die geen tegenspraak duldde. ‘Hij kent mij. Hij luistert naar niemand anders.’






