Deel 4: Het laaiende inferno en het vergeten dagboek
Het droge, scherpe geluid van het afstrijken van een lucifer drong door de dikke houten wanden van de garage heen. In de opsluiting van de piepkleine cel leek de tijd stil te staan. Elke seconde rerekte zich uit tot een eeuwigheid van pure terreur. De verstikkende lucht van benzine vulde mijn longen bij elke gehaaste ademteug. Mijn ogen prikten en tranen van irritatie en angst stromen over mijn wangen.
‘Sta op!’ schreeuwde ik tegen de verwarde vrouw die naast me op het klamme matras lag. Ik greep haar stevig bij haar bovenarmen en trok haar met geweld omhoog. ‘We moeten hier NU uit!’
Ze was ontzettend mager, haar lichaam voelde licht en breekbaar als een dorre tak, maar de paniek gaf haar een plotselinge vlaag van reflexmatige kracht. Ze klemde zich vast aan mijn jas. ‘Hij gaat ons verbranden!’ gilde ze. Haar stem was hees en kapot. ‘Hij heeft het eerder gezegd! Hij zeide dat als iemand mij zou vinden, we allemaal zouden verbranden!’
Een felle, oranje gloed flitste op onder de kier van de buitendeur van de garage. Het vuur vond gretig voedsel in de droge hooibalen en het verwaarloosde houtwerk dat overal in de werkplaats opgestapeld lag. Binnen enkele seconden veranderde het doffe geknetter buiten onze cel in een brullend monster. De hitte begon door de dunne houten tussenwand te stralen.
Ik keek woest om me heen in de kleine ruimte. De zaklamp in mijn hand wierp een zenuwachtige, flikkerende lichtstraal over de ruwe planken. Er was geen raam, geen tweede deur. Alleen het roostertje in het plafond waar nog steeds benzine uit sijpelde, en de gebarsten houten muur die ons scheidde van de vlammenzee.
‘De betonschaar!’ herinnerde ik me plotseling.
Ik had het zware gereedschap op de grond laten vallen toen ik de cel binnenstapte. Ik buikte voorover, grabbelde over de vloer tussen het met benzine doordrenkte stro en vond het koude metaal. Mijn vingers sloten zich om de handvatten.
Met al de kracht die de adrenaline in mijn lijf kon pompen, rammelde ik het massieve metalen werktuig tegen de houten tussenwand. KNAL! De splinterende planken kraakten, maar ze bogen nauwelijks door. Henrik had deze wand stevig gebouwd, alsof hij wist dat er ooit een dag zou komen dat iemand erdoorheen zou willen breken.
‘Help me!’ schreeuwde ik tegen de vrouw. ‘Sla tegen de planken! Waar het hout dun is!’
Ze begon wanhopig met haar vuisten tegen de muur te slaan, negerend dat haar knokkels openbraken en bloedden. De hitte achter het schot werd onverdraaglijk. De verf op de houten planken begon te blaren en op te krullen. Zwarte, dikke rook sijpelde door de kieren tussen de balken naar binnen. Het spul verzamelde zich tegen het plafond en zakte langzaam als een dodelijke deken naar beneden.
Ik haalde opnieuw uit met de betonschaar. Ditmaal richtte ik op de scharnieren van de lage houten deur. KLAP! Het verroeste metaal van het bovenste scharnier boog door. Ik sloeg nog een keer, en nog een keer. Mijn armen verzuurden, mijn hart trappelde als een razende in mijn borstkas. Bij de vierde slag brak het dunne hout rond de schroeven af.
De deur hing nu scheef in het frame. Ik zette mijn voet tegen het hout en trapte met mijn volle gewicht.
Met een hard gekraak vloog de houten deur uit de sponning en viel naar buiten, recht in de laaiende zee van vuur die de garage al voor de helft had overgenomen.
De hitte die ons tegemoet kwam was alsof een ovendeur recht in ons gezicht werd opengegooid. Mijn haren verschroeiden bijna instant. De rook was zo dicht dat ik niets meer kon zien behalve een muur van oranje en rood.
‘Mijn hand vastpakken!’ schreeuwde ik naar de vrouw. Ik greep haar magere pols en trok haar achter me aan, dwars door de smalle opening.
We struikelden over de brandende resten van het matras en de houten deur. De vloer van de garage stond op meerdere plekken al in brand. Overal om ons heen stortten brandende balken naar beneden. Rook vulde mijn keel, de scherpe smaak van verbrand rubber en oude chemicaliën maakte me misselijk.
Ik rende blindelings naar het punt waar ik wist dat de zijdeur van de garage zich moest bevinden. Het licht van de vlammen maakte alles spookachtig en onwerkelijk.
Plotseling zakte de vloer onder mijn voeten weg. Een verrotte plank begaf het onder mijn gewicht. Mijn linkerbeen schoot door het hout heen, diep een donker gat in. Ik viel voorover op de hete vlonderplanken en schreeuwde het uit van de pijn toen mijn scheenbeen hard tegen een scherpe rand stootte.
De vrouw gilde en viel naast me.
Terwijl ik wanhopig probeerde mijn been uit de opening te trekken, scheen het licht van mijn gevallen zaklamp recht in de holle ruimte onder de vloerdelen.
Het was een klein, verborgen compartiment onder de garagevloer. En daar, tussen het stof en het spinnenwebben, lag niet zomaar iets.
Er lag een lederen tas. Een bekende, bruin lederen schoudertas met een koperen gesp.
Mijn adem stokte, ondanks de rook die mijn longen vulde.
Het was de tas van Clara. De tas die ze altijd bij zich droeg als ze naar haar werk ging.
Met een vlaag van waanzinnige energie negeerde ik de pijn in mijn scheenbeen. Ik reikte met mijn arm diep in het gat onder de vloer en greep de riem van de tas vast. Ik trok hem met een krachtige ruk naar boven, precies op het moment dat een brandende balk van het plafond neerstortte op de plek waar mijn hoofd een seconde eerder had gezeten.
Vonken regenden neer over onze lichamen.
‘Opstaan! Lopen!’ brulde ik.
Ik trok mezelf los uit het gat, klemde de lederen tas onder mijn arm, greep de vrouw weer bij haar jas en stormde op de houten zijdeur af. Ik gooide me met mijn volle gewicht tegen de gesloten deur. Het verroeste slot dat ik eerder geforceerd had, gaf mee.
We vielen naar buiten, de ijskoude, natte nacht in.
We rolden over het vochtige gras van de tuin, terwijl achter ons de garage met een donderend razen in elkaar stortte. Een gigantische zuil van vuur en zwarte rook steeg op naar de donkere hemel over Breda.
Hijgend, hoestend en naar adem snakkend lag ik in het modderige gras. De koude regen viel op mijn gezicht en koelde mijn verbrande huid af. Naast me lag de vrouw, zwaar ademhalend, haar ogen wijd opengestaard naar de vlammenzee.
Ik klemde de bruine lederen tas tegen mijn borst. Met trillende, zwarte vingers van het roet ritste ik het hoofdvak open.
Het vuur van de brandende garage wierp genoeg licht om de inhoud te zien. Er zat geen portemonnee in, geen make-up tasje.
In plaats daarvan lag er een klein, zwart notitieboekje. Op de eerste pagina stond met het bekende, sierlijke handschrift van Clara geschreven:
‘Als iemand dit leest… betekent het dat Henrik ontdekt heeft dat ik weet wie hij echt is. Vertrouw de politie van Breda niet.’
Mijn hart sloeg een slag over.
Voordat ik verder kon lezen, hoorde ik het geluid van loeiende sirenes in de verte naderen. Maar er was een ander geluid, dichterbij.
Het scherpe geluid van een doorgeladen pistool, vlak achter mijn hoofd.






