DE SCHADUW ACHTER DE GARAGEDEUR
News Story

DE SCHADUW ACHTER DE GARAGEDEUR

0 weergaven

Deel 11: Het spoor van het ziekenhuis en de onvermoede getuige

Het spoorwegrijtuig schudde lichtjes heen en weer terwijl de trein de grens van de provincie Zuid-Holland naderde. De warme lucht van de treinverwarming deed de wond op mijn schouder vreselijk kloppen, maar de fysieke pijn viel in het niet bij de ijzige schok van het krantenartikel op mijn schoot.

Medeplichtigheid. Poging tot moord.

Clara en haar netwerk hadden het perfect gespeeld. Zelfs in de finale instorting van hun imperium hadden ze ervoor gezorgd dat ik het ultieme zondebokmotief op mijn bord gekregen had. De doorgedraaide echtgenoot die zijn vrouw achttien maanden lang bleef zoeken, haar uiteindelijk vond, ontdekte dat ze hem had bedrogen, en haar in een vlaag van blindelings geweld had proberen neer te schieten.

De hele wereld zou het geloven. De politie, de pers, mijn voormalige vrienden en buren… Het paste naadloos in het profiel van een man die mentaal gebroken was.

Ik keek naar mijn spiegelbeeld in het doffe, beslagen raam van de trein. Mijn gezicht was zwart van het roet, mijn ogen stonden hol en rood door slaapgebrek en uitputting. Mijn jas was gescheurd en vol gedroogde modder. Ik zag er inderdaad uit als een voortvluchtige gevaarlijke gek.

Ik moest me verstoppen. Maar waar ga je heen als je eigen naam een opsporingsbevel is geworden?

De trein stopte op het station van Dordrecht. Ik trok de capuchon van mijn natte jas diep over mijn gezicht, stond moeizaam op en glipte tussen de weinige ochtendforensen door het perron op.

Ik liep met gebogen hoofd door de kille, winderige straten van de stad. Elk politiesirene in de verte liet me verstijven tegen de muren van de gebouwen. Elke voorbijganger die me iets te lang aankeek, voelde als een mogelijke verrader.

Ik had onderdak nodig. Warmte. En vooral: medische verzorging. De kogelwond in mijn schouder voelde heet en ontstoken aan. Mijn hele arm begon gevoelloos te worden.

Ik dacht aan de enige persoon in mijn leven die losstond van het netwerk van Clara. Een man die ik al tien jaar niet meer had gesproken door een oude familieruzie, maar die ooit mijn beste vriend was geweest.

Mijn broer, Thomas.

Thomas woonde in een klein dijkhuisje aan de rand van Dordrecht. Hij was een eigenzinnige, teruggetrokken horlogemaker die geen kranten las en de wereld buiten zijn werkplaats grotendeels negeerde.

Ik sloeg een smalle straat in en volgde de dijk totdat ik het vertrouwde, houten bordje zag hangen: 'Thomas van Dijk - Fijne Mechanica'.

Met mijn laatste krachten stompelde ik de kleine binnenplaats op en sloeg met mijn vuist tegen de zware eikenhouten achterdeur.

KLAP. KLAP. KLAP.

Er klonk een gestommel van binnen. Een vergrootglas-bril werd voor een klein raampje geschoven. De deur ging op een kier open.

Een man van begin veertig met warrig, bruin haar en een bevlekt schort keek me verbaasd aan.

‘Marcus…?’ zei Thomas, en zijn stem sloeg over van ongeloof. ‘Mijn god, man… wat is er met jou gebeurd? Je ziet eruit alsof je uit het graf bent opgestaan!’

‘Thomas…’ stamelde ik, terwijl mijn knieën het definitief begaven. ‘Help me… alsjeblieft.’

Thomas greep me net op tijd bij mijn gezonde arm en trok me het warme huis binnen. Hij sloeg de deur haastig dicht en schoof de nachtgrendel erop.

Een uur later zat ik bij het knapperende haardvuur in zijn woonkamer. Mijn doorweekte kleren hingen te drogen. Thomas, die op de ambachtsschool ooit EHBO-cursussen had gevolgd, had met verrassend behendige vingers de wond op mijn schouder schoongemaakt, ontsmet en verbonden. Gelukkig was de kogel er aan de achterkant weer uitgegaan; het was een schampschot geweest dat alleen spierweefsel had geraakt.

Hij zette een dampende mok zwarte koffie voor me neer en ging tegenover me zitten. Hij staarde me lang aan. Onze oude ruzie over een erfenis leek in één klap te zijn opgelost door de burcht van ellende waarin ik verkeerde.

‘Ik heb het nieuws op de radio gehoord, Marcus,’ zei hij zacht. ‘Ze zoeken je in het hele land. Ze zeggen dat je doorgedraaid bent.’

‘Geloof jij het?’ vroeg ik, terwijl ik hem strak in de ogen keek.

Thomas zweeg even. Hij keek naar mijn trillende handen om de warme mok.

‘Ik ken je al mijn hele leven, broertje,’ zei hij ernstig. ‘Je bent veel dingen, maar je bent geen moordenaar. En die vrouw van je… eerlijk gezegd heb ik haar nooit getrouwd vertrouwd. Ze was te perfect. Te glad.’

Een vlaag van verlichting ging door mijn borstkas. Tenminste één mens op deze wereld geloofde me nog.

‘Ze ligt in het St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg,’ vervolgde Thomas, terwijl hij een klein notitieblokje pakte. ‘Onder zware politiebewaking. Ze zeggen dat ze buiten bewustzijn is, maar…’

‘Maar wat?’ vroeg ik haastig.

‘Een oude klant van mij, een gepensioneerde verpleegster die daar werkt, belde me vanmorgen,’ zei Thomas met een lage stem. ‘Ze zei dat er iets geks aan de hand is op de intensive care. De politie bewaakt kamer 304, maar de vrouw die erin ligt… wordt niet behandeld voor schotwonden.’

Ik fronsde mijn wenkbrauwen. ‘Wat bedoel je?’

‘Ze wordt behandeld voor vergiftiging,’ fluisterde Thomas. ‘Iemand heeft geprobeerd haar in de politie-ambulance te vergiftigen voordat ze het ziekenhuis bereikte.’

Mijn hart begon weer te razen.

Het netwerk. Ze probeerden hun eigen baas te elimineren om te voorkomen dat ze zou praten als ze ooit zou ontwaken.

Clara was niet alleen de dader; ze was nu ook het ultieme doelwit van haar eigen organisatie geworden.

Ik keek naar Thomas. ‘Ik moet naar dat ziekenhuis.’

‘Ben je helemaal gek geworden?!’ riep Thomas uit. ‘Het stroomt daar van de politie! Als ze je zien, schieten ze je direct neer!’

‘Ze is de enige die mijn naam kan zuiveren,’ zei ik met een ijzeren vastberadenheid. ‘En ze is de enige die weet wat er echt is gebeurd met ons kind. Ik moet haar spreken voordat haar eigen mensen haar definitief het zwijgen opleggen.’