DE SCHADUW ACHTER DE GARAGEDEUR
News Story

DE SCHADUW ACHTER DE GARAGEDEUR

0 weergaven

Deel 5: De schaduw van de commissaris en het verloren spoor

De kille loop van het pistool werd stevig tegen mijn achterhoofd gedrukt. De metalen cirkel voelde ijzig aan tegen mijn verbrande, met roet bedekte huid. De geur van de brandende garage achter ons vermengde zich met de reuk van kruit en de kille, vochtige nachtlucht van Breda.

‘Geen beweging, Marcus,’ sprak een harde, ijzig kalme stem direct achter me.

Het was niet de stem van Henrik.

Het was een stem die ik uit duizenden zou herkennen. Een stem die ik de afgelopen achttien maanden tientallen keren had gehoord in een warm kantoor op het hoofdbureau, onder het genot van een kop slechte automatenkoffie.

Hoofdinspecteur Vos.

Mijn lichaam verstijfde volledig. De lederen tas van Clara klemde ik zo stevig tegen mijn borst dat mijn knokkels wit wegtrokken. Naast me in het gras slaakte de geredde vrouw een zachte, verstikte kreet van angst en kroop zover mogelijk van ons vandaan.

‘Vos…?’ stamelde ik, terwijl ik mijn hoofd millimeter voor millimeter probeerde te draaien. ‘Wat… wat doet u hier?’

‘Ik zei: GEEN BEWEGING!’ snauwde Vos, en hij duwde de loop van het wapen zo hard tegen mijn schedel dat de pijn door mijn nek schoot. ‘Laat die tas langzaam op de grond vallen. Nu!’

In de verte kwamen de sirenes snel dichterbij. De blauwe lichten flikkerden al tegen de muren van de omringende huizen in de straat. Het loeien van de brandweerwagens en politiewagens sneed door de nacht.

‘U bent het…’ fluisterde ik, terwijl het zwart voor mijn ogen begon te dansen van ongeloof en pure ontzetting. ‘Het notitieboekje van Clara… Ze schreef dat de politie niet te vertrouwen was. U zat al die tijd in het complot. U heeft de zaak gesloten!’

‘Je had gewoon moeten opgeven, Marcus,’ zei Vos met een lage, bijna vermoeide stem. Er zat geen spoor van spijt in zijn geluid, alleen een kille, bureaucratische meedogenloosheid. ‘Je had haar moeten laten rusten. Waarom kon je nou niet gewoon accepteren dat ze weg was? Waarom moest je zo nodig blijven graven?’

‘Waar is ze?!’ schreeuwde ik, vergeten dat er een geladen wapen op mijn hoofd was gericht. Woede overstemde elke vorm van zelfbehoud. ‘Waar is mijn vrouw, Vos?! Wat hebben jullie met haar gedaan?’

‘Ze was te nieuwsgierig,’ antwoordde Vos strak. ‘Net als jij. Ze kwam op een plek waar ze niets te zoeken had. Ze zag zaken die het daglicht niet konden verdragen. Henrik heeft geprobeerd de boel netjes op te lossen, maar jij… jij bleef maar vliegen op de vlam afkomen.’

‘En die vrouw daar?’ Ik wees met een trillende hand naar de magere, verwaarloosde gedaante in het gras. ‘Wie is zij? Waarom hielden jullie haar vast?’

‘Een blikvanger. Een wisselgeld voor als er ooit een doorgewinterde onderzoeker te dichtbij zou komen,’ zei Vos koud. ‘Een lokaas om mensen zoals jij op het verkeerde spoor te zetten. En nu sluiten we dit dossier definitief. De doorgedraaide echtgenoot die zijn eigen waanbeelden achterna liep en omkwam in de brand van een buurman…’

Hij spande de haan van het pistool. Het scherpe klik-geluid klonk als een dodenvonnis.

Op dat exacte moment gebeurde er iets wat niemand had voorzien.

De magere vrouw, die tot dan toe bewegingloos in de modder had gelegen, liet een wild, dierlijk geluid horen. Met een kracht die niemand achter haar uitgeteerde lichaam zou zoeken, wierp ze zichzelf over het natte gras en greep de enkel van Vos vast.

Vos verloor voor een fractie van een seconde zijn evenwicht. Zijn voet gleed weg op de drassige grond.

BANG!

Het schot ging af. De kogel floot rakelings langs mijn oor en boorde zich met een harde klap in de stenen muur van het huis.

De schokgolf van het geluid liet mijn oren tuiten. Zonder een seconde te twijfelen, draaide ik me om, balde mijn vuist en sloeg met al de kracht die ik in mijn lichaam had op het gezicht van de inspecteur. Mijn knokkels raakten zijn kaken met een harde dof.

Vos struikelde achterover en viel zwaar op zijn rug in het natte onkruid. Het pistool glipte uit zijn hand en verdween in de duisternis van het struikgewas.

‘Rennen!’ schreeuwde ik naar de vrouw.

Ik greep de lederen tas van Clara stevig vast, pakte de hand van de vrouw en trok haar overeind. We stormden naar het kleine houten hek aan de achterzijde van de tuin, weg van de laaiende zee van vuur en de naderende politiewagens.

Vos vloekte luid achter ons en probeerde overeind te krabbelen in de modder. ‘Houd ze tegen! Henrik, pak ze aan de andere kant!’ brulde hij de duisternis in.

Uit de schaduwen van de steeg achter het huis dook plotseling de enorme gedaante van Henrik op. Hij hield een zware metalen pijp in zijn handen en zijn gezicht was vertrokken in een demonische grimas van woede.

We zaten ingesloten. Aan de voorkant de naderende politie die door Vos werd aangestuurd, achter ons de laaiende brand en voor ons Henrik die de enige vluchtroute blokkeerde.

De straat achter het hek werd verlicht door de felle koplampen van een snel naderende auto. Het voertuig reed zonder licht met een meedogenloze snelheid direct op het hek af.

Motorlawaai vulde de steeg. Banden piepten over het natte asfalt.

Henrik draaide zich geschokt om naar de koplampen die op hem af stormden.

De zwarte wagen remde niet af. Hij ramde met een verwoestende klap door het houten hekwerk heen, recht op Henrik af.