DE SCHADUW ACHTER DE GARAGEDEUR
News Story

DE SCHADUW ACHTER DE GARAGEDEUR

0 weergaven

Deel 10: De stroomversnelling en de verloren identiteit

Het ijskoude water van de Biesbosch sloeg als een gigantische hamerslag over mijn lichaam. De impact roofde de laatste adem uit mijn longen. Een snijdende pijn schoot vanaf mijn gewonde schouder door mijn hele bovenlijf, alsof er een vurig zwaard in mijn vlees was gestoken.

De kolkende stroom van de inlaatschacht trok me ongenadig diep mee naar beneden, het duistere rijk van slib, waterplanten en scherpe verroeste stalen buizen in.

Mijn kleren voelden loodzwaar aan. De duisternis onder water was compleet; er was geen onder of boven meer te onderscheiden. Mijn longen schreeuwden om zuurstof, maar ik dwong mezelf om mijn mond stijf dicht te houden.

Ik vocht met mijn gezonde arm tegen de woeste onderstroom. Mijn vingers schraapten langs de slijmerige betonwand van de tunnel. De stroom stuwde me met een gigantische snelheid voort, dwars door het ondergrondse buizenstelsel van het oude pompstation.

Net toen mijn bewustzijn dreigde weg te glijden en er donkere vlekken voor mijn ogen begonnen te dansen, sloeg de waterstroom me met een harde smat naar buiten.

Ik werd als een lappenpop afgevuurd in het open water van de rivierarm buiten het gebouw.

Mijn hoofd kwam boven water. Ik snakte naar lucht. De ijskoude nachtlucht vulde mijn brandende longen met een pijnlijk gesis.

Overal om me heen hoorde ik het loeien van de helikopters. Hun felle, witte zoeklichten veegden als reusachtige vingers over het grijze wateroppervlak, maar de dichte mist die over de rivier hing, bood me een beschermende deken.

Ik liet me drijven, nauwelijks bewegend, om geen rimpelingen in het water te maken die de helikopters zouden kunnen opmerken. De stroom voerde me snel weg van het pompstation, dieper het onherbergzame moerasgebied in.

In de verte zag ik de zoeklichten flikkeren rond de contouren van het gebouw. Er klonken nog steeds incidentele schoten. De rijksrecherche was massaal binnengevallen. Clara’s netwerk werd op dit exacte moment opgerold, maar op welk niveau? Zou ze opnieuw ontsnappen? Zou de vrouw die twaalf jaar mijn leven had gevuld opnieuw verdwijnen in de schaduwen van een nieuwe identiteit?

Na wat een eeuwigheid leek te duren, voelde ik de modderige bodem onder mijn voeten.

Ik sleurde mezelf wanhopig uit het water. Mijn ledematen voelden aan als bevroren hout. De wond op mijn schouder bloedde hevig; het donkere bloed mengde zich met het vochtige slib op de oever.

Ik kroop over de drassige grond, tussen het hoge riet door, totdat ik de droge rand van een oude rietgedekte dijk bereikte. Ik viel voorover in het hoge gras, buiten adem, rillend van de extreme kou en de fysieke uitputting.

Ik lag daar uren. De nacht glipte langzaam voorbij terwijl ik naar de donkere hemel staarde.

Toen de eerste bleke lichtstralen van de zonsopgang door de mistige horizon van Brabant breken, veranderde de lucht van diepzwart naar een dof, koud grijs.

Ik was alles kwijt.

Mijn vrouw was een crimineel fantoom. Mijn huis in Breda was hoogstwaarschijnlijk verzegeld door de politie. Mijn naam, mijn verleden, mijn herinneringen… ze waren allemaal vergiftigd door de reusachtige leugen waarin ik twaalf jaar lang had geleefd.

Marcus van Dijk bestond niet meer. Hij was gestorven in de vlammen van de garage en verdronken in de wateren van de Biesbosch.

Met een immens fatsoenlijke moeite duwde ik mezelf overeind. Mijn schouder klopte van een hevige, koortsachtige pijn. Mijn kleding was stijf bevroren door de ochtendkou.

Ik tastte in de zakken van mijn doorweekte jas.

Mijn telefoon was verdwenen, weggespoeld in de rivier. Mijn portemonnee zat er nog wel in. Ik trok het doorweekte lederen mapje eruit en opende het.

Mijn rijbewijs. Onze trouwfoto, wazig en uitgelopen door het water. En een klein, opgevouwen spoorwegkaartje dat ik een paar dagen geleden in mijn zak had gestopt.

Ik keek naar de trouwfoto. Het gezicht van Clara glimlachte me nog steeds tegemoet vanaf het natte papier. Een leugen op kwaliteitsfotopapier.

Met trillende vingers scheurde ik de foto in duizenden kleine reepjes en liet ze meevoeren door de wind over het rietveld.

Ik moest bewegen. Als ik stil bleef liggen, zou de onderkoeling me alsnog fataal worden.

Ik struikelde over het dijkpad, mijn arm stevig tegen mijn gewonde schouder gedrukt. Na twee kilometer lopen over de verlaten polderweg dook er in de verte een smal stationnetje op: Station Lage Zwaluwe.

Een kleine, roestige stoptrein stond klaar langs het perron. De deuren stonden wijd open.

Er was geen perronopzichter te zien. Geen reizigers op dit vroege uur.

Ik stapte de lege trein binnen en liet me neervallen op een van de harde, blauwe stoeltjes achterin de wagen. De verwarming onder de bank begon langzaam te warmen en stuurde een doffe hitte door mijn ijskoude lichaam.

De treindeuren sloten met een mechanische sissing. De trein kwam langzaam in beweging.

Ik keek door het beslagen raam naar buiten. De landschappen van Brabant gleeden aan me voorbij.

Toen viel mijn oog op een weggeworpen krant die op de stoel tegenover me lag.

De koppen van de Bredase Courant van die ochtend schreeuwden me tegemoet in grote, zwarte letters:

‘GIGANTISCHE POLITIE-INVAL IN BIESBOSCH: INTERNATIONAAL FRAUDENETWERK OPGEROULD.’

Ik pakte de krant met een trillende hand op en las het artikel.

‘Bij een grootschalige actie van de Rijksrecherche is vanmorgen vroeg een einde gemaakt aan een jarenlang actief misdaadsyndicaat. Meerdere verdachten zijn aangehouden, waaronder een hooggeplaatste inspecteur van de politie Breda.’

Mijn ogen scrolden haastig verder naar beneden.

‘Het brein achter de organisatie, een vrouw die zich bediende van de valse identiteit Clara van Dijk, is tijdens de inval neergeschoten en zwaargewond overgebracht naar het ziekenhuis. Haar toestand is kritiek.’

Mijn adem stokte. Ze leefde nog.

Maar het was de laatste zin van het krantenartikel die mijn bloed definitief deed stollen:

‘De politie is dringend op zoek naar haar echtgenoot, Marcus van Dijk, die wordt verdacht van medeplichtigheid en poging tot moord. Hij wordt als uiterst gevaarlijk beschouwd.’