TEIL 10
Het geluid klonk als het breken van een takje, gevolgd door het zachte geschuifel van nat grind. Ik hield mijn adem in en kneep mijn ogen tot spleetjes om door de donkere, regenachtige avond heen te kijken. De straatverlichting flakkerde zwakjes boven ons hoofd, en de blauwe zwaailichten van de politieauto's wierpen griezelige, dansende schaduwen tegen de gevel van ons huis.
"Hé, wie is daar?" riep ik met een luide, ietwat trillende stem richting de heg van de buren. Marcus, de bodyguard van Helena, reageerde met de snelheid van een bliksemflits. Nog voordat ik kon knipperen, bewoog hij zich geruisloos naar de zijkant van het huis, zijn hand instinctief naar zijn jas grijpend. Helena bleef kalm achter in de deuropening van de limousine, beschermd door de auto, maar haar blik was messcherp en gefocust op de plek waar het geluid vandaan was gekomen.
"Blijf achter mij, Julian," fluisterde Thomas, terwijl hij me aan mijn arm naar achteren trok. Een moment lang was het doodstil. Alleen het getik van de regen op de paraplu's en het gezoem van de politieradio's waren te horen. En toen, met een plotselinge beweging, schoot er een gestalte weg uit de bosjes. Het was een man in een donkere hoodie, zijn gezicht gedeeltelijk verborgen onder een capuchon.
Hij rende in paniek weg richting de achtertuinen, in de richting van het donkere park achter onze straat. "Staat u stil! Politie!" riep een van de toegesnelde agenten, maar de indringer was al te snel. Toch had hij niet gerekend op Marcus. De bodyguard zette de achtervolging in met een atletische soupratesse die indrukwekkend was voor iemand van zijn postuur.
Binnen enkele seconden had hij de indringer bij zijn kraag gepakt en tegen de natte schutting van de buren geslagen. Er klonk een korte worsteling, het geluid van hard geschreeuw, en toen hield de man op met tegenstribbelen. De politieagenten snelde er direct achteraan om de boel over te nemen en de man in de boeien te sluiten. Ze trokken zijn capuchon achterover.
Het licht van de politielamp viel op een gezicht dat ik maar al te goed kende. Het was Mark, een van de junior-analisten van Calebs afdeling – dezelfde jongen die vanochtend nog zo angstvallig naar zijn toetsenbord had gestaard toen ik het kantoor werd uitgeschopt. De adem stokte in mijn keel. Mark? Was hij het die hier had ingebroken? De politieagenten duwden Mark naar voren, die nu luidkeels begon te protesteren en te smeken.
"Laat me los! Ik moest dit doen! Caleb dwong me! Hij zei dat als ik het niet deed, ik ook zou worden ontslagen en nooit meer aan de bak zou komen in deze sector!" De bekentenis galmde door de stille straat. Zelfs de agenten keken elkaar verrast aan. Thomas keerde zich met open mond naar mij toe. "Julian… wie is in vredesnaam die jongen en waar heeft hij het over?" Ik antwoordde niet meteen.
Ik haalde diep adem, voelde de usb-stick in de binnenzak van mijn jas branden, en keerde me toen om naar Helena, die met een triomferende, koele glimlach naar het tafereel keek. De val was definitief dichtgeslagen. Caleb had niet alleen zijn hand overspeeld; hij had zichzelf in een hoek gedreven waar geen ontkomen meer aan was. Maar toen de politie Mark afvoerde en ik dacht dat het ergste achter de rug was, riep een van de rechercheurs die door het huis had gelopen naar buiten: "Meneer De Vries! U moet even binnen komen kijken. Ze hebben iets achtergelaten op de eettafel dat niet van u lijkt te zijn."



