Deel 13: De vlammen van de Mont Blanc
De lading hagel doorboorde de roestige stalen wand van de grote gashouder. Het samengeperste propaangas spoot met een oorverdovend gesis naar buiten, recht in de open vlammen van de schouw.
EXPLOSIE!
Een gigantische vuurbal vulde de centrale hal van het sanatorium. De drukgolf van de ontploffing blies de houten balustrades van de tweede verdieping als luciferhoutjes omver. Glas versplinterde, de stenen vloer trilde op zijn grondvesten.
Ik werd door de kracht van de klap achterover geslagen en smakte tegen de eikenhouten uitgangsdeuren. Mijn rug deed hels pijn, maar de dikke winterjas had de ergste klap opgevangen.
Door de dikke zwarte rook en het laaiende vuur zag ik hoe twee van Julians huurlingen brandend over de vloer rolden.
Julian Sterling zelf was naar achteren geworpen, zijn dure pelsmantel vatten vlam. hij schreeuwde het uit van de pijn, rolde over de ijskoude vloer om de vlammen te doven en krabbelde wankelend overeind. Zijn gezicht was roetzwart, zijn gouden bril gebroken.
‘Dood haar!’ krijste hij wanhopig naar de overgebleven huurling die door de rook probeerde te richten.
Ik wachtte niet af. Ik duwde de zware houten deuren open en stormde de ijzige sneeuwstorm in.
Buiten was de kou als een fysieke slag in het gezicht. De terreinwagen stond nog steeds te draaien. Chloe zat achter het stuur, Maya krampachtig tegen zich aan gedrukt.
‘MAMA! STAP IN!’ schreeuwde Chloe door het geopende raam.
Ik rende naar de auto, maar voordat ik de handgreep kon pakken, klonk er een hard schot door de storm.
BANG!
De achterruit van de terreinwagen versplinterde.
Ik keek om. Julian Sterling kwam het brandende sanatorium uit gestormd. hij droeg een automatisch pistool in zijn trillende handen, zijn ogen wild en bloeddoorlopen. hij leek niet langer op de elegante zakenman; hij was veranderd in een woedend roofdier dat zijn prooi zag ontsnappen.
‘Je krijgt dat antistof nooit weg!’ schreeuwde hij tegen de snijdende wind in.
hij richtte het pistool recht op het raam van Chloe.
Op dat moment bedacht ik me geen seconde. Ik rende niet naar de auto, maar dook boven op Julian.
We smakten samen in de diepe, ijskoude sneeuw. Het pistool ging af — een kogel vloog nutteloos de zwarte nachtelijke lucht in.
Ik greep zijn pols vast en ramde zijn hand tegen een bevroren rotsblok aan de rand van de weg. Julian schreeuwde van pijn en liet het wapen vallen.
We rolden over de rand van het besneeuwde binnenplein, zo de steile helling af naar de rand van het ravijn.
Takken en rotsen sloegen tegen mijn lichaam. We kwamen met een doffe klap tot stilstand op een smal rotsplateau dat honderd meter boven de afgrond bungelde.
Julian lag onder mij. hij kuchtte bloed, maar zijn handen grepen mijn keel vast. Zijn vingers knepen met een wanhoopskracht mijn luchtpijp dicht.
‘Jullie... waardeloze... armzalige... wormen...’ siste hij tussen zijn tanden door. ‘Jullie hebben... mijn familie... vernietigd...’
Mijn zicht begon zwart te worden. Zuurstoftekort deed mijn hoofdpijn exploderen. Ik kon mijn armen nauwelijks meer bewegen.
Toen voelde ik de glazen ampul met het antistof nog steeds in de zak van mijn jas steken.
Met mijn laatste krachten trok ik het doosje munitie uit mijn andere zak, klemde een zware patron tussen mijn vingers en ramde die met volle kracht recht in het oog van Julian Sterling.
Julian liet een ijswekkende schreeuw horen en liet mijn keel los. hij greep naar zijn gezicht, verloor zijn evenwicht op de gladde ijslaag van het rotsplateau en gleed achterover.
Zijn schreeuw verstomde langzaam terwijl zijn lichaam in de peilloze, zwarte diepte van het Ravijn van Chamonix verdween.
Stilte.
Alleen het gehuil van de wind en het geknetter van het brandende sanatorium boven mij bleven over.
Ik lag op mijn buik in de sneeuw, naar adem hapte. Mijn keel brandde.
Langzaam, millimeter voor millimeter, krabbelde ik op mijn knieën. Ik voelde aan de zak van mijn jas.
De glazen ampul met het blauwe serum was nog heel.
Ik klom met mijn laatste krachten de steile sneeuwwelling op, terug naar de weg.
Chloe stond buiten de auto te wachten, huilend in de sneeuw storm. Toen ze me zag verschijnen boven de rand van de helling, rende ze naar me toe en viel in mijn armen.
‘Mama! O god, mama!’
Ik trok het glazen flesje uit mijn zak en hield het voor haar gezicht.
‘Drink het, Chloe,’ fluisterde ik met een schorre, gebroken stem. ‘Drink het nu.’
Chloe keek naar het lichtgevende blauwe vocht, haalde de dop er af en dronk de inhoud in één teug leeg.
Binnen enkele seconden leek de kleur langzaam terug te keren op haar bleke wangen. De diepe, dodelijke vermoeidheid in haar blik maakte plaats voor een heldere, levendige rust. Het gif was geneutraliseerd.
We stonden daar, omhelsd midden in de Zwitserse sneeuwstorm, terwijl achter ons het imperium van de familie Sterling in lichterlaaie opging.






