Deel 10: Het Zwitserse kluisje
De ijskoude wind van de Zwitserse Alpen sneed door mijn dikke winterjas toen we het majestueuze gebouw van de Banque Privée de Genève naderden. Het gebouw rees op als een onneembare vesting van graniet en gewapend glas aan de oever van het meer van Genève.
Het was drie dagen geleden dat we aan de aanval op ons kusthuis waren ontsnapt. Met de hulp van de documenten van notaris Bergman en het Zwitserse paspoort dat Arthur Sterling jaren geleden voor mij had laten aanmaken, waren we onder valse namen het land binnengekomen. Chloe en de baby verbleven in een klein, beveiligd hotelletje in de bergen buiten de stad, onder de hoede van mr. Bergman.
Ik was alleen.
In mijn tas droeg ik de zware koperen sleutel en de handgeschreven brief van Arthur Sterling.
Ik stapte de marmeren hal van de bank binnen. De stilte hier was bijna heilig; alleen het zachte getik van de hakken van bankbedienden op de gepolijste vloer verbrak de rust.
Een man in een strak, donkerblauw maatpak trad op mij af. Zijn gezicht was professioneel en onleesbaar. ‘Goedemorgen, mevrouw. Hoe kan ik u van dienst zijn?’
‘Ik ben hier voor kluis nummer 704,’ zei ik rustig, terwijl ik het Zwitserse paspoort en de sleutel aan hem overhandigde.
De bankier keek vluchtig naar het paspoort, controleerde het nummer van de sleutel op zijn tablet en knikte traag. ‘Volgt u mij alstublieft, mevrouw Sterling.’
Mevrouw Sterling. De naam sneed als een mes door mijn ziel, maar het was de sleutel die alle deuren opende.
We daalden af met een privé-lift naar het vierde ondergrondse niveau. De deuren openden naar een gigantische kluisruimte van roestvrij staal. De luchtdruk veranderde hoorbaar; de kluis was hermetisch afgesloten van de buitenwereld.
De bankier stopte bij een rijs kleine, genummerde stalen deuren. hij stak zijn eigen meestersleutel in het onderste slot, waarna ik mijn sleutel in het bovenste slot stak.
KLIK-KLIK.
Met een zwaar, mechanisch geluid ontgrendelde het deurtje.
‘Ik laat u nu alleen, mevrouw. U heeft alle tijd,’ zei de bankier met een lichte buiging, waarna hij zich terugtrok achter de glazen wanden van de beveiligingspost.
Ik trok het stalen deurtje open. Binnenin lag een zwarte, metalen cassette.
Mijn handen trilden toen ik de cassette op de tafel in het midden van de ruimte tilde. Er zat geen slot op de cassette zelf; hij ging gemakkelijk open.
Binnenin lag geen geld. Er lagen geen juwelen.
Er lag een dik, met leer gebonden dagboek van Arthur Sterling, een stapel zwart-witfoto’s en een klein glazen ampul gevuld met een heldere, lichtgevende blauwe vloeistof.
Ik pakte het dagboek open. De bladzijden waren vergeeld, het handschrift krampachtig en gehaast.
Ik begon te lezen:
12 oktober 2011. Eleanor en mijn broer Julian zijn doorgedraaid. Ze hebben de formule voor het M-99 regeneratie-enzym voltooid. Maar wat ze de buitenwereld niet vertellen, is dat het middel een genetische verslaving veroorzaakt. Ieder mens dat hiermee behandeld wordt, wordt binnen vijf jaar volledig afhankelijk van de maandelijkse doses die alleen door Sterling Pharmaceuticals geproduceerd kunnen worden.
Het is geen geneesmiddel. Het is de ultieme vorm van controle. Ze willen de rijken der aarde injecteren en hen voor de rest van hun leven chanteren.
Mijn adem stokte. Een verslavend regeneratie-enzym. Dat was het ware doel van Project Hades!
Ik sloeg de bladzijde om.
Ik heb het enige werkzame antistof gestolen — het blauwe serum in de ampul. Zonder dit antistof zal iedereen die met M-99 is behandeld binnen zes maanden sterven aan meervoudig orgaanfalen. Julian weet dat ik het serum in Genève heb verborgen. Hij zal niet rusten voordat hij het heeft.
Als mijn dochter Sarah dit ooit leest: pas op voor de 'Cirkel van Twaalf'. De kopers van het eerste uur zijn de machtigste politici en zakenlieden ter wereld. Ze zullen alles doen om het antistof te beschermen... of te vernietigen.
Toen begreep ik het. Eleanor en Liam waren slechts de pionnen aan het front geweest. De echte machthebbers waren de internationale kopers die het middel al toegediend hadden gekregen! En Julian Sterling was hun enige leverancier.
Ik pakte de glazen ampul voorzichtig vast. Het lichtgevende blauwe vocht reflecteerde in mijn ogen. Dit piepkleine flesje was het enige dat duizenden levens kon redden — of het hele imperium van Julian Sterling in één klap kon vernietigen.
PIEP. PIEP. PIEP.
Het alarmsysteem van de bankkluis begon plotseling zacht te piepen.
De glazen wanden van de beveiligingspost veranderden van transparant naar ondoorzichtig zwart. De zware, stalen kluisdeur van het vierde niveau begon zich langzaam en meedogenloos te sluiten.
Ik sprong overeind en griste de cassette met de ampul en het dagboek mee.
‘Hallo, Sarah,’ klonk een stem over de intercom van de kluis.
Het was niet de bankier. Het was de stem van Julian Sterling.
‘Bedankt dat je de kluis voor me hebt geopend,’ zei Julian lachend. ‘De bankiers van de Banque Privée zijn verrassend goedkoop te kopen als je ze een aandeel in het eeuwige leven belooft.’
De stalen kluisdeur was nog maar een halve meter open.
‘Je komt hier nooit meer uit,’ vervolgde Julians stem. ‘En het zuurstofsysteem van de kluis wordt over dertig seconden uitgeschakeld.’
I stootte een wanhopige schreeuw uit en duwde mezelf met al mijn gewicht door de nauwe opening van de sluitende deur.






