DEEL 7 – In het Hart van de Stad
De regen sloeg tegen de voorruit van het oude onderhoudsbusje toen we de buitenwijken van de stad binnenrijden. De neonverlichting van de winkels en de koplampen van het tegemoetkomende verkeer weerspiegelden in het natte asfalt. Mijn handen klemden zich vast aan de armleuning. Het idee dat Thomas een kluis op mijn naam had gezet zonder dat ik het wist, maakte me sprakeloos.
"Waarom zou hij dat doen?" fluisterde ik, alsof ik tegen mezelf praatte. "Waarom zou hij mij bij zo'n gevaarlijke zaak betrekken?"
"Omdat hij wende dat jij de enige persoon was die de mensen achter dit complot nooit zouden verdenken," antwoordde Daniel terwijl hij behendig door het drukke stadsverkeer manoeuvreerde. "Voor de buitenwereld was jij gewoon een gepensioneerde buschauffeur. Niemand keek naar jou om. Dat maakte jou de perfecte kluis."
We stopten in een rustige zijstraat, een paar honderd meter verwijderd van het indrukwekkende, marmeren gebouw van het Capital Security Depot. Het was een van die exclusieve, particuliere beveiligingsbedrijven waar de rijken van de stad hun kostbaarheden, kunst en vertrouwelijke documenten bewaarden. Het gebouw zag eruit als een onneembare vesting, voorzien van tientallen camera's en zware glazen deuren.
Daniel zette de motor uit en keek op zijn horloge. Het was tien over elf in de avond.
"Het depot is vierentwintig uur per dag open voor eliteklanten," zei Daniel. "Maar we moeten voorzichtig zijn. Als Vance en zijn mannen ontdekken dat we naar de stad zijn vlucht楼, zullen ze dit gebouw als eerste in de gaten houden."
Hij haalde zijn pistool tevoorschijn, controleerde het magazijn en stopte het diep in zijn binnenzak. Daarna keek hij naar mij. Hij zag de angst in mijn ogen en pakte mijn hand vast. Zijn handpalmen waren warm en krachtig.
"Arthur," zei hij met een zachte, bijna kinderlijke stem die me meteen deed denken aan de negenjarige jongen op de voorste bank van mijn bus. "Toen ik klein was en niks had, gaf u mij hoop. U liet me zien dat er nog goede mensen in de wereld bestaan. Wat er vanavond ook gebeurt, ik zorg ervoor dat u niets overkomt."
Ik slikte de broek in mijn keel weg en knikte. "Laten we het afmaken, Daniel. Voor Thomas. En voor jouw vader."
We stapten uit het busje. Daniel sloeg de kraag van zijn jas omhoog en ik trok de grote capuchon diep over mijn gezicht. Samen liepen we met snelle schreden naar de imposante ingang van het kluisdepot.
De glazen schuifdeuren gleden geruisloos open. Binnen was de hal verlicht met zacht, warm licht. De vloer was van glanzend zwart graniet en de muren waren bekleed met donker hout. Achter een balie van geborsteld staal zat een man in een strak, donkerblauw pak met een gouden naambadge op zijn borst.
Hij keek verrast op toen wij binnenstapten – een vreemd duo: een strak geklede, serieuze man en een oude vrouw in een te grote jas met vieze kleren.
"Goedenavond," zei de receptionist met een gemaakte glimlach waarin wantrouwen doorklonk. "Kan ik u ergens mee helpen?"
"Mevrouw komt toegang vragen tot haar kluis," zei Daniel op een professionele, zakelijke toon.
"Heeft u een afspraak of een klantnummer, mevrouw?" vroeg de man.
Ik deed een stap naar voren en probeerde mijn stem niet te laten trillen. "Mijn naam is Arthur Van Dijk. Ik kom voor kluis nummer 408."
De man typte de naam in op zijn computer. Hij staarde een paar seconden naar het scherm en zijn wenkbrauwen trokken zich op. Hij keek strak naar mij, en toen weer naar het scherm.
"Mevrouw Van Dijk..." zei hij langzaam. "Uw profiel geeft aan dat er een speciale veiligheidsinstructie geldt voor deze kluis."
Daniel zette ongemerkt een stap dichter bij de balie, zijn hand dicht bij zijn binnenzak. "Wat voor instructie?"
"Als mevrouw Van Dijk zou verschijnen, moesten wij direct contact opnemen met de juridische vertegenwoordiger van het account," zei de receptionist. Hij reikte met zijn hand naar de telefoon op zijn bureau.
"Wacht!" riep Daniel fel.
Maar voordat de receptionist de hoorn kon optillen, hoorden we het geluid van remmende banden buiten het gebouw.
Door de glazen ramen zagen we twee zwarte wagens met een noodvaart de stoep op rijden. De deuren vlogen open en vier gewapende mannen in donkere kleding stormden naar de ingang. Aan het hoofd van de groep liep Vance, zijn gezicht strak van woede en een bloedende schaafwond op zijn voorhoofd.
"Ze zijn er!" schreeuwde ik.
tactical sprong Daniel over de stalen balie heen, greep de receptionist bij zijn revers en trok de beveiligingsknop onder het bureau in. Een luid alarm begon te loeien en zware, stalen roldeuren begonnen langzaam neer te dalen voor de glazen ingang.
"Sneller!" brulde Vance van buiten. Een van zijn mannen vuurde een schot af op het glas, dat in duizenden veiligheidsscherven uiteenspatte net voordat het stalen rolluik met een doffe klap de vloer raakte.
De receptionist rilde van angst. "Wat is hier aan de hand?!"
"De sleutel van kluis 408! Nu!" schreeuwde Daniel, terwijl hij de man de koperen sleutel liet zien. "En breng ons naar de kluisruimte voordat ze door dat luik heen breken!"
De receptionist knikte wild, pakte een elektronische passleutel en rende naar de zware, stalen deur achter de balie. We volgden hem op de voet, terwijl het oorverdovende geluid van snijbranders buiten verraadde dat Vance en zijn mannen zich een weg door het rolluik probeerden te banen.






