DEEL 3 – Het Geheim van de Staande Klok
De klink van de voordeur bewoog langzaam verder omlaag. De spanning in de kleine gang van mijn huis was zo snijdend dat ik nauwelijks durfde te ademen. Daniel reageerde met een bliksemsnelle reflectie. Hij schoof de zware, eikenhouten kapstok – waaraan nog steeds de winterjas van mijn overleden man hing – recht voor de deur. net op het moment dat er van buitenaf krachtig tegen het hout werd geduwd.
Het hout kraakte hevig. "Arthur, naar boven! Nu!" commandeerde Daniel met een gedempte maar dringende stem.
Ik twijfelde geen seconde. Ondanks mijn vierenzeventig jaar en de stramheid in mijn gewrichten, rende ik de trap op zo snel als mijn benen me konden dragen. Daniel volgde vlak achter mij. Beneden hoorden we het splijten van het deurkozijn. De indringers probeerden met geweld binnen te dringen.
We bereikten de bovenverdieping en snelden naar de kleine studeerkamer aan het einde van de gang. Het was de kamer van Thomas. De geur van oude pijptabak en papier hing er nog steeds, alsof hij elk moment kon opstaan uit zijn vertrouwde fauteuil. In de hoek van de kamer stond de donkere, eikenhouten klok. Hij was minstens twee meter hoog, versierd met snijwerk van bladeren en een koperen pendel die roerloos stilhing.
"Hoe werkt het?" vroeg Daniel gehaast terwijl hij de zware houten deur van de studeerkamer op het nachtslot draaide en er een zware boekenkast voor duwde om extra tijd te winnen.
"Ik... ik weet het niet precies," zei ik terwijl ik met trillende vingers naar de klok liep. "Thomas liet me er nooit aan zitten. Hij zei dat het mechanisme heel gevoelig was en dat hij het zelf wou restaureren."
Achter de deur klinken nu harde stappen op de trap. De mannen waren binnen.
"We hebben seconden, Arthur," sprak Daniel, terwijl hij naast me kwam staan en de zijkanten van de klok begon te inspecteren. "Zoek naar een dubbele bodem, een geheim knopje, of iets dat los zit."
Mijn handen vlogen over het ruwe hout. Ik voelde aan het snijwerk, de houten paneeltjes aan de zijkant, en de onderkant van de kaste. Niets. De paniek sloeg toe. Wat als ik me vergiste? Wat als Thomas de sleutel ergens anders had verstopt?
Benneten stompten zware laarzen tegen de kamerdeur. Het slot piepte onder de druk.
"Denk na, Arthur," zei Daniel fel maar moedig. "Wat zei Thomas altijd over deze klok?"
"Hij... hij zei altijd dat de tijd stil stond om twaalf uur vijf," herinnerde ik me plotseling. Ik keek naar de wijzerplaat. De grote en de kleine wijzer stonden inderdaad op twaalf uur en één minuut. Ik pakte het koperen mechanisme vast en verplaatste de grote wijzer handmatig naar de vijf.
Klik.
Een diep, mechanisch geluid klonk ergens van binnenin de klok. De onderkant van de houten kast, vlak boven de pootjes, sprong een centimeter naar voren. Daniel twijfelde niet, greep het randje vast en trok het paneeltje weg.
In de holle ruimte lag niet alleen een kleine, koperen sleutel met een afwijkend nummer gegraveerd. Er lag ook een dik, zwart notitieboekje en een stapel geldbundels.
"Mijn god..." fluisterde ik.
"Dit is het," zei Daniel. Hij griste de sleutel en het notitieboekje weg en stopte ze in zijn binnenzak. De geldbundels liet hij liggen. "Het geld interesseert ze niet, het gaat ze om het boekje. Hier staan alle namen en rekeningen in."
Op dat moment begaf de studeerkamerdeur het. Met een luide knal splinterde het hout en de zware boekenkast verschoof een halve meter. Een grote, breedgeschouderde man met een leren jas en een donkere zonnebril wurmde zich door de opening. In zijn hand hield hij een zwart voorwerp dat ik onmiddellijk herkende als een pistool.
"Geef het notitieboekje, Daniel," zei de man met een schorre, ijskoude stem. "Je bent ver buiten je boekje gegaan. Dit is geen financiële controle meer."
Daniel ging beschermend voor mij staan. "Je bent te laat, Vance. De politie is al onderweg."
De man genaamd Vance lachte schamper. "Denk je echt dat de lokale politie hier op tijd zal zijn? Geef het mij, of de oude mevrouw overleeft deze ochtend niet."
Vance richtte het wapen recht op mijn borst. Daniel keek van het wapen naar het raam achter ons, dat uitkeek op het platte dak van de aanbouw.
"Arthur," fluisterde Daniel nauwelijks hoorbaar. "Kun je springen?"
Vóór ik kon antwoorden, klonk er een schot.






