DEEL 6 – De Sleutel van het Depot
Het rode laserstipje gleed langzaam over de ruwe houten balken van de hut, als een dodelijke rode spin die haar prooi zocht. Ik hield mijn adem in en klemde mijn hand vast aan de rand van de bank. Daniel lag plat op de vloer, met zijn oog vlak bij een spleet in het luik.
"Het is er maar één," fluisterde Daniel nauwelijks hoorbaar. "Hij heeft zich afgesplitst van de rest. Waarschijnlijk volgt hij de rook uit de schoorsteen."
Ik vervloekte mezelf in stilte. Het vuur dat ons warm had moeten houden, had ons verraad.
"Wat gaan we doen?" fluisterde ik paniekerig terug.
"Blijf hier liggen," zei Daniel. hij gleed als een schaduw naar de achterdeur van de hut, die naar een kleine opslagruimte voor brandhout leidde.
Buiten klonk opnieuw het gekraak van sneeuw. De klink van de voordeur bewoog langzaam. De gewapende man duwde de deur voorzichtig open, zijn pistool met geluidsdemper recht vooruit gericht. Het rode laserlicht tastte de duistere ruimte af.
De man deed voorzichtig twee stappen naar binnen. Hij keek naar de kachel, waar het vuur nog smeulde, en toen naar de lege bank.
Op dat precieze moment dook Daniel op uit de schaduw achter de opslagdeur. Met een krachtige beweging ramde hij een zware eikenhouten blok brandhout tegen de pols van de man. Het pistool kletterde op de houten vloer en gleed onder de kachel.
De man vloekte en haalde uit met een zware stoot die Daniel vol op zijn kaak trof. Daniel struikelde achterover tegen de tafel, waardoor de olielamp op de grond viel en aan scherven vloog. Een klein vlammetje van de overgebleven olie vatte meteen vlam op de houten vloerplanken.
De man sprong op Daniel af en greep hem bij de keel. Daniel vocht terug, maar de man was groter en zwaarder.
Ik kon niet zomaar toekijken. De angst die me verlamde, maakte plotseling plaats voor een woede die ik nog nooit eerder had gevoeld. Ik keek om me heen en zag een zware, pook naast de kachel staan. Ik greep de pook met twee handen vast, stond op en haalde met al de kracht die in mijn oude lichaam zat uit naar de rug van de man.
Het koperen metaal raakte hem hard tussen zijn schouderbladen. De man schreeuwde het uit van de pijn en liet Daniel los.
Daniel benutte die seconde. Hij trok zijn been op en trapte de man met volle kracht tegen zijn knieschijf. Een luid kraakgeluid klonk door de hut. De man zakte kermend door zijn hoeven. Vóór hij kon herstellen, pakte Daniel de houten blok opnieuw en sloeg de man bewusteloos.
Het vlammetje op de vloer begon zich snel uit te breiden naar de droge wanden van de hut. Rook vulde de ruimte.
"Grijp het pistool!" schreeuwde Daniel terwijl hij overeind krabbelde en zijn kleding afsroog.
Ik dook naar de kachel, griste het koude, metalen wapen onder de kachel vandaan en gaf het aan Daniel. Hij graaide ook het zwarte notitieboekje van de tafel.
"We moeten weg, nu! Dit hele ding staat zo in brand!"
We stormden door de voordeur naar buiten, de snijde kou in. Achter ons laaide de jagershut op als een gigantische fakkel in de nacht. De rook kolom steeg hoog op boven de bomen, een baken dat de rest van de achtervolgers niet zou ontgaan.
"Ze weten nu precies waar we zijn," zei Daniel terwijl we rennend het bos uit vluchtten, richting de oude provinciale weg. "We hebben een voertuig nodig."
Aan de rand van de weg, bij de oude spoorwegovergang waar ik dertig jaar lang elke ochtend mijn bus had stilgezet, stond een verlaten onderhoudsbusje van de spoorwegen. De motor draaide niet, maar er brandde een klein lampje in de cabine.
Daniel rende naar het voertuig en keek door het raam. Een oudere man in een werkjas zat achter het stuur, luisterend naar de radio.
Daniel klopte hard op het raam. De man schrok en draaide het raam op een kier.
"Ik ben rechercheur Daniel Vance," zei Daniel stellig, terwijl hij zijn legitimatiebewijs tevoorschijn haalde – een badge die hij al die tijd bij zich had gedragen. "Er is een acute noodsituatie. Ik moet u vragen uw voertuig aan ons af te staan."
De onderhoudsman keek van Daniel naar mij – een oude, verwaarloosde vrouw in een veel te grote herenjas, met roet op haar gezicht – en toen naar de brandende hut in de verte.
"Arthur?" zei de man plotseling.
Ik keek hem aan. Het was Fred, een van de monteurs die vroeger mijn schoolbus onderhield.
"Fred!" riep ik uit. "Alsjeblieft, help ons!"
Fred twijfelde geen seconde. Hij stapte meteen uit en liet de motor draaien. "Stap in! De sleutels zitten erin. Waar gaan jullie heen?"
"Naar de stad," zei Daniel terwijl hij me in de passagiersstoel hielp en zelf achter het stuur sprong. "Naar het centrale kluisdepot."
Daniel gaf vol gas. De banden van het busje spinden op het ijs voordat de auto vooruit schoot, het duister van de snelweg in.
Terwijl de lampen van de stad in de verte opdoemden, haalde Daniel de koperen sleutel uit zijn zak die we uit de staande klok hadden gehaald.
"Met deze sleutel kunnen we kluis 408 openen," zei Daniel stellig. "Daar ligt het definitieve bewijs. Het originele getuigenverhoor van mijn vader, opgediept door Thomas."
Hij keek me vluchtig aan. "Maar er is één ding wat ik niet begrijp, Arthur. In het notitieboekje staat dat kluis 408 alleen geopend kan worden met een dubbele authenticatie. Een sleutel... en een vingerafdruk van de geautoriseerde persoon."
Mijn hart sloeg een slag over. "Maar Thomas is dood..."
"Precies," zei Daniel met een duistere blik op de weg. "Dat betekent dat Thomas het kluisje niet op zijn eigen naam heeft gezet."
Hij keek me strak aan. "Het kluisje staat op úw naam."






