DEEL 2 – De Onthulling in de Schaduw
Mijn kille gang voelde plotseling aan als een ijskelder. De wind die door de kier van de deur waaide, sneed langs mijn gezicht, maar de kou die ik voelde kwam van binnenuit. Ik staarde naar Daniel. De negenjarige jongen met blauwe lippen was veranderd in een volwassen man met strakke gelaatstrekken en een intense blik. In zijn oren glinsterde een zweem van autoriteit, maar zijn ogen verraadden een diepe, innerlijke rusteloosheid.
"Daniel, waar heb je het over?" vroeg ik met een trillende stem. "Mijn man, Thomas... hij was een eenvoudige accountant. Hij was een goede man. Hij hield van mij, hij hield van ons rustige leven."
"Arthur," zei Daniel zacht, terwijl hij me bij mijn volledige naam noemde om mijn aandacht te vangen. "Ik weet hoe Thomas op u overkwam. Maar de laatste zes maanden voor zijn overlijden werkte hij niet meer alleen voor het lokale kantoor. Hij werd benaderd door mensen die hem heel veel geld boden om administratieve sporen uit te wissen. Heel duistere sporen."
Ik schudde mijn hoofd. Het was alsof de wereld onder mijn voeten weggreed. Thomas had inderdaad de laatste maanden van zijn leven veel tijd doorgebracht in zijn studeerkamer op zolder. Hij sloot de deur altijd af, wat hij vroeger nooit deed. Ik dacht dat hij rouwde om zijn verslechterde gezondheid, dat hij zich terugtrok omdat hij zich zwak voelde. Had hij al die tijd geheimen voor mij verborgen gehouden?
"Waarom vertel jij mij dit?" stamelde ik. "Hoe weet jij dit überhaupt?"
Daniel zuchtte diep en keek vluchtig over zijn schouder naar de zwarte wagen die nog steeds met draaiende motor op mijn oprit stond. De ramen waren geblindeerd; ik kon niet zien of er iemand anders in de auto zat.
"Na het verlaten van de stad in 1981 is mijn leven niet makkelijk geweest, Arthur," legde hij uit met een lage, rustige stem. "Maar ik heb me opgewerkt. Ik werk nu als financieel onderzoeker voor een particuliere organisatie die illegale geldstromen opspoort. Drie weken geleden stuitte ik op een reeks verdachte transacties. Ze leidden rechtstreeks naar het privérekeningnummer van Thomas. Ik kon het eerst niet geloven toen ik uw naam als erfgenaam zag staan. Ik herkende de naam meteen. Ik wist dat ik moest komen."
Hij stapte de hal binnen en duwde de deur zachtjes achter zich dicht, alsof hij het oog van de buitenwereld wilde buitensluiten. De geur van dure kolonie en regenwater vulde de ruimte.
"Thomas heeft een sleutel achtergelaten," zei Daniel. "Een fysieke sleutel van een kluisje. Maar niet bij een gewone bank. Het is ondergebracht bij een privé-depot in het centrum van de stad. En de mensen voor wie hij die administratie deed, weten dat die kluis bestaat. Ze denken dat u de sleutel hebt."
"Maar ik heb helemaal geen sleutel!" riep ik uit, en mijn stem sloeg over van paniek. "Ik heb zijn spullen opgeruimd na de begrafenis. Ik heb alleen zijn kleren, zijn horloge en zijn oude boeken gevonden. Er was geen sleutel!"
Daniel keek me strak aan. Hij leek de oprechtheid in mijn ogen te zoeken. Na een lange stilte knikte hij langzaam. "Dan heeft hij hem goed verborgen. Want als zij de sleutel niet krijgen, zullen ze niet aarzelen om dit huis ondersteboven te halen. U bent niet veilig hier, Arthur."
Op dat moment hoorden we het geluid van een dichtslaand autoportier buiten op de oprit. Het was niet de zwarte auto van Daniel. Het was een tweede wagen die zojuist achter de zijne was komen te staan. Een zware SUV met getinte ruiten.
Daniels lichaam verstrakte onmiddellijk. Hij greep mijn arm vast met een stevige, maar niet harde greep.
"We hebben geen tijd meer," fluisterde hij gehaast. "Ze zijn er sneller dan ik dacht. We moeten nu zoeken naar de enige plek waar Thomas iets zou verstoppen wat niemand mocht vinden. Denkt u na, Arthur! Was er een plek in dit huis waar alleen hij kwam? Een plek die voor u onbeduidend leek?"
Mijn hart hamerde tegen mijn ribbenkast. Mijn gedachten tolden in het rond. Ik dacht aan de garage, de kelder, de zolder... En toen schoot me ineens iets te binnen. Een oude, houten wandklok die Thomas een maand voor zijn dood opeens had gekocht op een rommelmarkt en in de gang had opgehangen, hoewel hij nooit liep.
"De klok..." stamelde ik. "De staande klok in de studeerkamer."
Vóór Daniel kon antwoorden, klonk er een harde, agressieve klop op de voordeur, gevolgd door een zware stem die door het hout heen drong: "Mevrouw Van Dijk! Doe de deur open. Wij weten dat u binnen bent."
Daniel keek me aan, zijn ogen wijd van angst. "Blijf achter mij," fluisterde hij, terwijl de klink van de voordeur langzaam naar beneden begon te bewegen.






