DEEL 7 – DE VLUCHT DOOR HET DONKER
De val was harder dan ik had verwacht. Mijn knieën raakten hard de natte aarde, en een scherpe pijnscheut schoot door mijn been. Maar ik kon niet stoppen. De stemmen op de trap kwamen dichterbij, en toen hoorde ik het geluid van geweld tegen de slaapkamerdeur.
BAM!
De deur werd met één krachtige trap opengeduwd. Ze waren binnen.
"Hierheen! Snel!"
De hand van mijn broer greep mijn arm en trok mee omhoog. Zonder achterom te kijken renden we door de modderige tuin, recht op de oude schutting af. Mijn broer duwde een losse houten plank opzij, en we kropen door de opening naar de donkere steeg daarachter.
De regen spoelde over ons heen, maar de adrenaline gierde door mijn lichaam. We renden door de smalle, verlaten straten van de wijk tot we bij een oude stationcar kwamen die onopvallend in de schaduw geparkeerd stond. Mijn broer opende het portier, duwde me naar binnen en sprong zelf achter het stuur.
Binnen enkele seconden loeide de motor op en reden we weg met gedoofde lichten.
Ik zat op de bijrijdersstoel, hijgend van de inspanning, met de rode doos nog steeds krampachtig in mijn armen. Pas toen de straten van onze buurt achter ons lagen en we op de grote snelweg reden, durfde ik uit te ademen.
Ik keek opzij naar mijn broer. In het schijnsel van het dashboard zag ik de diepe rimpels in zijn gezicht, de vermoeidheid in zijn ogen en het litteken langs zijn kaak dat hij twaalf jaar geleden nog niet had gehad.
Hij was geen jongen meer. Hij was een man geworden die al die jaren in de schaduw had moeten leven.
"Waarom?" was het enige wat ik kon uitbrengen. Mijn stem klonk hees en gebroken. "Waarom ben je twaalf jaar weggebleven? Waarom ben je niet naar mama's begrafenis gekomen?"
Mijn broer greep het stuur zo stevig vast dat zijn knokkels wit werden. Hij keek niet naar mij, maar bleef strak voor zich uit staren op de lege weg.
"Omdat als ik was teruggekomen..." zei hij met een ijzige kalmte, "...waren we allebei dood geweest."
Die woorden sloegen in als een bom. Ik opende mijn mond om iets te vragen, maar hij hield zijn hand op.
"Niet nu," zei hij zacht. "Ze volgen ons. En ze zullen niet stoppen totdat ze die doos hebben."






