DEEL 13 – HET LAATSTE GEVECHT
We meerden de boot aan bij een verlaten steiger ver buiten het stadscentrum van Rotterdam. Het was inmiddels ochtend, maar de hemel bleef zwaar en dreigend. We liepen door de gure wind naar een oud treinstation waar we een versleten auto hadden achtergelaten.
Mijn broer legde de rode doos op de achterbank. Hij keek me aan, en voor het eerst in twaalf jaar zag ik een glimlach op zijn gezicht verschijnen. Het was een vermoeide, maar oprechte glimlach.
"We hebben het gered," zei hij zacht.
"Nog niet helemaal," antwoordde ik, terwijl ik mama's notitieboekje opensloeg op de laatste pagina. "Victor gaf ons de documenten, maar we moeten ze naar de nationale pers en de hoofdofficier van justitie brengen voordat zij ons te pakken krijgen."
We stapten in de auto en reden naar het hoofdkantoor van de landelijke recherche in Den Haag. De reis verliep in spannende stilte. Elk verkeerslicht voelde als een eeuwigheid, elke voorbijrijdende auto als een bedreiging.
Toen we aankwamen bij het grote, moderne gebouw van de autoriteiten, pakte ik de rode doos vast. Mijn handen trilden niet meer. Ik voelde een vreemde rust en vastberadenheid.
We liepen naar de receptie. Mijn broer bleef bij de ingang op de uitkijk staan.
"Ik wil spreken met de hoofdofficier van justitie," zei ik tegen de receptionist met een heldere, vastberaden stem. "Ik heb bewijs van een grootschalig corruptiesyndicaat waarin mijn vader en hooggeplaatste ambtenaren betrokken zijn."
De receptionist keek me aanvankelijk sceptisch aan, maar toen ik de rode doos opende en een van de officiële documenten met stempels en handtekeningen liet zien, veranderde zijn blik onmiddellijk. Hij pakte de telefoon en gaf een directe opdracht.
Binnen vijf minuten werden we binnengelaten in een beveiligde kantoorruimte.






