DEEL 5 – HET GEHEIM IN HET NOTITIEBOEK
Ik staarde naar de naam op de achterkant van de foto. Het was een naam die ik nog nooit eerder had gehoord, en toch klonk er iets dreigends door in de letters. Mijn handen trilden zo erg dat de foto bijna uit mijn vingers glipte.
Wat had mijn vader met deze man te maken? Waarom zou iemand na al die jaren nog steeds zoeken naar spullen uit dat verleden?
Ik legde de foto's neer en pakte het rode notitieboekje op. De bladzijden waren volgeschreven in het haastige, hoekige handschrift van mijn moeder. Het leek op een dagboek, maar dan donkerder, voller van angst en vermoedens. Ik begon te lezen op een willekeurige pagina ergens in het midden.
"14 mei. Ik vond vandaag een document in de oude kluis op zolder. Het ging niet over zijn zaken, maar over een transactie uit het jaar dat we trouwden. Er staat een bedrag op dat zo groot is dat we er een hele stad mee hadden kunnen kopen. Maar het ergste is niet het geld. Het is de naam van de begunstigde. Dezelfde naam als de man die we al die jaren dachten te zijn vergeten. Hij liegt tegen me. Hij heeft me altijd voorgelogen."
Ik sloog de bladzijde om.
"22 juni. Vandaag zag ik een auto voor het huis staan. Een zwarte sedan met geblindeerde ruiten. Er zat niemand in, maar hij stond er urenlang. Toen ik naar buiten keek, zag ik een schim bij de heg. Ik ben bang. Niet om mezelf, maar om de kinderen. Vooral om mijn oudste zoon. Hij merkte iets op... en nu is hij gevlucht om ons te beschermen."
Een brok schoot in mijn keel. Mijn moeder wist het. Ze wist dat mijn broer niet zomaar was weggelopen uit opstandigheid of ruzie; hij was gevlucht omdat hij iets had ontdekt dat levensgevaarlijk was. En mijn vader... mijn vader had dat geheim tot zijn dood bewaakt.
Maar waarom had mijn moeder nooit iets tegen mij gezegd? Waarom moest ik dit pas ontdekken nadat ze al begraven was?
De klok in de gang sloeg drie uur. De wind joeg nog steeds om het huis, en de rinkelende regen klotste tegen het gebroken keukenraam. Plotseling hoorde ik een geluid van buiten. Dit keer geen voetstappen, maar het sissen van een portier dat zachtjes werd dichtgeslagen.
Ik hield mijn adem in en liep op kousenvoeten naar het raam van de woonkamer. Door de kier van de gordijnen keek ik naar buiten.
Twee zwarte auto's stonden geparkeerd langs de stoep. De koplampen waren uitgedaagd, maar ik kon de silhouetten van twee mannen onderscheiden die langzaam richting de voordeur liepen. Ze droegen donkere jassen en hoeden die hun gezichten verborgen.
Ze kwamen terug.






