DEEL 10 – DE ONVERWACHTE BONDGENOOT
We bleven de hele ochtend in de boswachterswoning schûilen. Buiten hield de regen aan, maar de storm leek wat te bedaren. Mijn hoofd tolde van alle informatie. Alles wat ik ooit had geloofd over mijn familie, mijn jeugd en mijn vader was in rook opgegaan.
Mijn broer liep onrustig ijsberend door de krappe ruimte. Plotseling bleef hij stilstaan bij het vensterluik en keerde zich naar mij toe.
"We kunnen hier niet lang blijven," zei hij beslist. "Ze weten waarschijnlijk allang waar we zijn. Die auto's in de wijk waren geen toeval. Ze hebben trackers geplaatst of ze volgen onze telefoons."
Ik greep meteen naar mijn zak enhaalde mijn mobiele telefoon tevoorschijn. "Moet ik hem uitzetten?"
"Het is al te laat om hem uit te zetten," antwoordde hij. "Maar we kunnen hem wel gebruiken om ze op een dood spoor te zetten."
Hij pakde zijn eigen telefoon uit zijn zak, typte een snel bericht en legde het op tafel. "We gaan naar Rotterdam. Naar het adres dat mama in het notitieboekje heeft geschreven. Maar we moeten voorzichtig zijn."
We pakten onze spullen in. Ik tilde de rode doos voorzichtig op en stopte hem in een oude canvas tas, zodat niemand kon zien wat het was. We kropen weer in de oude stationcar en reden weg, diep de bossen uit.
Tijdens de rit naar Rotterdam voelde ik me voortdurend bekeken. Elke auto die achter ons reed, leek een achtervolger. Mijn broer reed beheerst, maar ik zag aan zijn knokkels dat hij net zo nerveus was als ik.
Tegen de middag kwamen we aan in de havenstad. De regen had plaatsgemaakt voor een kille, grijze mist die over de Maas hing. We parkeerden de auto in een ondergrondse parkeergarage in het oude industrieterrein en liepen te voet verder door de mistige straten.
Volgens het adres in mama's notitieboekje moesten we bij een oud pakhuis zijn aan de rand van de kade. Het gebouw zag er verlaten uit, met roestige metalen deuren en gebroken ramen.
Mijn broer klopte op een kleine zijdeur. Drie korte kloppen, twee lange.
Er gebeurde niets.
Hij herhaalde de klop. Toen klonk er een mechanisch geluid van een slot dat werd ontgrendeld. De deur opende op een kier en een paar scherpe ogen staarden ons vanuit het duister aan.
"Wie zijn jullie?" vroeg een diepe stem.
"Vertel hem dat de rode rozen na zesenvijftig jaar zijn bezorgd," zei mijn broer met een kalme stem.
De ogen in de deuropening verschilden van uitdrukking. De deur zwaaide wijd open.






