DEEL 18 — ELLA
Mijn telefoon bleef overgaan.
ELLA.
Ik keek naar Daan.
“Neem op,” zei hij.
Ik drukte op het groene icoon.
“Hallo?”
Een paar seconden hoorde ik alleen ademhaling.
Toen een jonge vrouwenstem.
“Lena?”
“Ja.”
“Ik weet dat je me niet kent.”
“Wie ben je?”
“Ik ben Ella.”
Mijn hart bonsde.
“Thomas zei dat je mijn zus bent.”
Een lange stilte.
“Dat klopt.”
Daan pakte mijn arm.
“Waar ben je?”
Ella antwoordde:
“Dat doet er niet toe. Wat belangrijk is, is dat jullie allemaal naar het verkeerde verhaal zoeken.”
“Welk verhaal?”
“Het verhaal over het geld.”
Ik fronste.
“Wat bedoel je?”
“Het geld is nooit het echte geheim geweest.”
“Wat dan wel?”
Ella fluisterde:
“Wie onze moeder werkelijk is.”
Ik keek naar Clara.
Ze werd bleek.
“Ella, wie is onze moeder?”
“Dat weet jij al.”
“Mijn moeder is Sophie.”
“Nee.”
Mijn hart sloeg over.
“Wat?”
“Sophie heeft je opgevoed. Maar ze is niet onze moeder.”
Ik keek naar Daan.
Hij was sprakeloos.
“Wie dan?”
Ella zei:
“Onze moeder heet Marianne.”
Die naam kende ik niet.
“Waar is ze?”
“Dood.”
“Wanneer?”
“Twintig jaar geleden.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Hoe?”
Ella zweeg.
Toen zei ze:
“Dat is het probleem. Ze is niet gestorven.”
Ik kreeg kippenvel.
“Ella, je maakt me gek.”
“Luister naar me. Marianne werd verborgen omdat ze de enige persoon was die wist wie onze echte vader was.”
“Wie?”
Ella antwoordde niet.
“Wie is onze vader?”
Toen zei ze:
“Thomas.”
Ik verstijfde.
“Dat kan niet.”
“Dat is wat iedereen je heeft laten geloven.”
“Dus Thomas is mijn vader?”
“Nee.”
“Dan wie?”
Ella fluisterde:
“Onze vader is degene die je al die tijd probeerde te vinden.”
Ik dacht aan Elias.
Aan Daniel.
Aan alle leugens.
“Elias?”
“Nee.”
“Daniel?”
“Nee.”
“Wie dan?”
Ella zei slechts:
“Kom naar kamer 204 van Hotel Aurora.”
“Wanneer?”
“Nu.”
De verbinding werd verbroken.
Daan keek me aan.
“Dit is een val.”
“Waarschijnlijk.”
“Dan gaan we niet.”
“We moeten.”
Clara schudde haar hoofd.
“Ella bestaat echt.”
Ik keek haar aan.
“Hoe weet je dat?”
“Omdat ik haar twintig jaar geleden heb ontmoet.”
Mijn hart stopte bijna.
“Waar?”
“Bij Marianne.”
Ik voelde een rilling.
“Je kende onze moeder?”
Clara knikte.
“En ik weet wie haar heeft laten verdwijnen.”
“Wie?”
Clara keek naar de deur.
“Je tante.”
Ik verstijfde.
“Mijn tante?”
“Ze werkte samen met Thomas.”
Daan keek naar Clara.
“Maar waarom?”
Clara antwoordde:
“Omdat jouw tante dacht dat zij de enige erfgename zou worden.”
Ik begreep het eindelijk.
Het was nooit alleen Bianca geweest.
Niet Thomas.
Niet Marcus.
Iedereen had hetzelfde doel gehad.
Het erfgoed.
De macht.
De waarheid.
Een uur later kwamen Daan en ik bij Hotel Aurora aan.
Kamer 204 stond open.
Binnen was niemand.
Alleen een envelop op het bed.
Ik opende hem.
Een foto viel eruit.
Drie kinderen.
Een meisje.
Een jongen.
En een baby.
Op de achterkant stond:
Lena — Daan — Ella.
Ik keek naar Daan.
“Dus het is waar.”
Toen hoorde ik achter ons een deur sluiten.
Ella stond in de badkamer.
Ze keek naar ons.
Ze had dezelfde ogen als ik.
Dezelfde ogen als Daan.
Ze liep langzaam naar voren.
“Jullie zijn ouder geworden.”
Ik voelde tranen opkomen.
“Hoe oud ben je?”
“Eenentwintig.”
Daan fronste.
“Maar dat betekent…”
Ella knikte.
“Ik ben drie jaar na jullie geboren.”
“Wie zijn onze biologische ouders?”
Ella keek naar mij.
“Onze moeder was Marianne.”
“En onze vader?”
Ze aarzelde.
Toen fluisterde ze:
“De man die jullie allemaal dood dachten.”
Mijn hart stopte.
“Wie?”
Ella wees naar de deur.
Een man stond daar.
Ouder.
Grijs haar.
Maar onmiddellijk herkenbaar.
Mijn grootvader.
Hij had twintig jaar geleden officieel zijn eigen dood laten registreren.
Hij glimlachte.
“Eindelijk zijn mijn kleinkinderen weer samen.”






