DEEL 3 — DE MAN DIE DOOD HAD MOETEN ZIJN
Thomas keek opnieuw naar de foto.
Zijn handen trilden.
Zijn vader.
Onmogelijk.
Hij had zes jaar geleden zelf aan het graf gestaan.
Hij had de kist zien zakken.
Hij had de begrafenis bijgewoond.
Hij had zelfs de overlijdensakte gezien.
En toch stond daar op Sophie’s foto een man die exact op zijn vader leek.
Dezelfde grijze ogen.
Dezelfde smalle mond.
Dezelfde litteken boven zijn rechterwenkbrauw.
Thomas fluisterde:
“Dat kan mijn vader niet zijn.”
Daan keek hem zwijgend aan.
“Je weet dat je vader een litteken had.”
Thomas keek op.
“Ja.”
“Je hebt hem dat litteken als kind zien krijgen.”
“Bij een auto-ongeluk.”
Daan knikte.
“Dat dacht jij.”
Thomas voelde een koude rilling over zijn rug gaan.
“Wat weet jij?”
Daan haalde zijn telefoon tevoorschijn.
“Ik kreeg drie jaar geleden een bericht van een onbekend nummer.”
“Wat voor bericht?”
“Een foto.”
Hij liet het scherm zien.
Op de foto stond een oude man in een donkere jas.
Thomas herkende hem onmiddellijk.
Zijn vader.
Onder de foto stond:
IK BEN NIET DOOD.
Thomas keek Daan aan.
“Waarom heb je dit nooit verteld?”
“Omdat ik dacht dat het een truc was.”
“En nu?”
“Nu weet ik dat het echt was.”
* * *
10.41 UUR — ZIEKENHUIS
Thomas wilde onmiddellijk naar Sophie.
Maar Daan hield hem tegen.
“Je kunt niet zomaar naar haar toe.”
“Ze is mijn vrouw.”
Daan keek hem hard aan.
“Dat zei je vier dagen geleden ook.”
Thomas zweeg.
“En toch koos je ervoor om haar alleen te laten.”
“Daan…”
“Ze heeft bijna haar leven verloren.”
“Ik weet het.”
“Nee. Dat weet je niet.”
Daan wees naar de foto.
“Je weet niet wat Sophie die dag heeft meegemaakt.”
Thomas keek naar de baby in het autostoeltje.
“Waar zijn de andere twee?”
“Bij iemand die Sophie vertrouwt.”
“Wie?”
Daan antwoordde niet.
Thomas werd woedend.
“Mijn kinderen worden ergens verborgen en jij weigert me te vertellen waar?”
“Omdat Sophie dat zo heeft geregeld.”
“Ze is mijn vrouw!”
Daan keek hem recht aan.
“Niet meer.”
Die woorden waren harder dan een klap.
* * *
11.03 UUR
Thomas reed uiteindelijk alleen naar het oude huis van zijn vader.
Het stond aan de rand van Wassenaar.
Al zes jaar was niemand er geweest.
Tenminste…
dat dacht hij.
Toen hij de voordeur opende, rook hij onmiddellijk iets.
Koffie.
Verse koffie.
Thomas bleef stokstijf staan.
Op de tafel stond een dampende kop.
Nog warm.
Hij liep langzaam verder.
De woonkamer was precies zoals hij hem zich herinnerde.
De oude klok.
De leren stoel.
De boekenkast.
Maar op de tafel lag iets nieuws.
Een envelop.
Zijn naam stond erop.
THOMAS.
Hij maakte hem open.
Binnenin zat een sleutel.
En een brief.
Slechts vier regels.
Als je dit leest, heeft Sophie je eindelijk de waarheid verteld.
Ga naar kamer 7.
Neem niemand mee.
En vertrouw je broer niet.
Thomas liet de brief zakken.
Zijn ogen gingen langzaam naar de deur.
Daan.
Waarom zou zijn vader schrijven dat hij zijn eigen broer niet mocht vertrouwen?
Hij pakte zijn telefoon.
Hij wilde Daan bellen.
Maar toen hoorde hij boven een geluid.
Een voetstap.
Thomas verstijfde.
Nog een.
Langzaam liep hij naar de trap.
“Hallo?”
Geen antwoord.
Hij pakte de sleutel uit de envelop.
Boven was een deur die hij zich niet herinnerde.
Op het slot stond een klein nummer.
7.
Zijn hand trilde toen hij de sleutel omdraaide.
Klik.
De deur ging open.
Binnen stond een bureau.
Een bed.
En aan de muur hingen tientallen foto's.
Thomas liep naar voren.
Zijn adem stokte.
Op de eerste foto stond Sophie.
Jong.
Misschien twintig jaar oud.
Op de tweede foto stond Sophie met een baby.
Op de derde foto stond zijn vader.
En op de vierde…
stond Thomas zelf.
Als kind.
Hij stapte achteruit.
“Wat is dit?”
Toen zag hij de laatste foto.
Sophie.
Thomas.
Daan.
En een vierde persoon.
Een man die Thomas niet kende.
Onder de foto stond een datum.
TWAALF JAAR GELEDEN.
Thomas voelde zijn hart bonzen.
Twaalf jaar geleden kende hij Sophie nog niet eens.
Of…
dat dacht hij.
* * *
11.17 UUR
Achter de foto's vond Thomas een klein metalen kastje.
Hij gebruikte de sleutel.
Het kastje ging open.
Binnen lagen drie documenten.
Het eerste was een medisch dossier.
SOPHIE VAN DIJK.
Het tweede was een DNA-rapport.
En het derde was een geboorteakte.
Thomas pakte het DNA-rapport.
Zijn ogen schoten over de regels.
Toen bleef hij hangen.
BIOLOGISCHE VADER: DAAN DE VRIES.
Thomas liet het papier vallen.
“Nee…”
Hij pakte het opnieuw.
De naam stond er nog steeds.
DAAN DE VRIES.
Zijn eigen broer.
Thomas voelde zich misselijk.
Hij dacht aan alles.
De telefoontjes.
De geheimen.
Daan die Sophie altijd beschermde.
De manier waarop hij haar naam uitsprak.
De reden waarom Sophie hem vertrouwde.
Alles kreeg plotseling een andere betekenis.
Maar toen zag hij de datum.
Het DNA-onderzoek was niet recent.
Het was uitgevoerd…
twaalf jaar geleden.
Thomas staarde naar de datum.
“Sophie…”
Hij fluisterde haar naam.
“Wat heb je gedaan?”
* * *
11.25 UUR — PRIVÉKLINIEK
Ondertussen lag Sophie in een kleine privékliniek buiten Amsterdam.
Ze keek naar haar drie baby's.
Mila sliep.
Noa lag naast haar.
Lucas bewoog zijn kleine handjes.
Sophie streelde voorzichtig hun hoofdjes.
Een verpleegkundige kwam binnen.
“Mevrouw Van Dijk?”
Sophie keek op.
“Ja?”
“Er is iemand voor u.”
Sophie verstijfde.
“Wie?”
De verpleegkundige keek naar de gang.
“Een oudere man.”
Sophie werd onmiddellijk bleek.
“Laat hem niet binnen.”
De verpleegkundige knikte.
Maar voordat ze kon vertrekken, hoorde Sophie een stem achter haar.
“Je bent nog steeds koppig, Sophie.”
Ze draaide zich langzaam om.
De man stond in de deuropening.
Grijs haar.
Donkere jas.
Dezelfde ogen die ze zich herinnerde.
Sophie begon te huilen.
“U…”
De man keek naar de drie baby's.
“Ze zijn prachtig.”
Sophie trok de dekens dichter tegen zich aan.
“Blijf van mijn kinderen af.”
De man glimlachte droevig.
“Ik ben niet gekomen om ze mee te nemen.”
“Waarom ben je hier?”
Hij keek haar recht aan.
“Omdat Thomas de waarheid bijna heeft ontdekt.”
Sophie verstijfde.
“Hoe weet u dat?”
De man antwoordde:
“Omdat ik hem heb zien binnenkomen.”
Sophie keek naar de deur.
“Waar?”
“Bij het oude huis.”
Haar gezicht verloor alle kleur.
“Hij heeft kamer zeven gevonden.”
De man knikte.
“Ja.”
Sophie sloot haar ogen.
“Dan is het voorbij.”
“Niet helemaal.”
“Hij zal Daan vermoorden.”
De man schudde zijn hoofd.
“Daan is niet degene die je moet vrezen.”
Sophie keek hem aan.
“Wie dan?”
De man boog zich iets naar voren.
“Isabelle.”
Sophie hield haar adem in.
“Isabelle weet dat de waarheid over haar afkomst is ontdekt.”
De man keek naar Mila.
“En ze weet ook dat één van deze drie kinderen haar hele leven kan vernietigen.”
Sophie fluisterde:
“Welke?”
De man glimlachte niet meer.
“Dat weet ik niet.”
Hij keek naar de deur.
“Maar zij wel.”
* * *
11.41 UUR — WASSENAAR
Thomas rende door kamer zeven.
Hij zocht naar antwoorden.
Toen hoorde hij plotseling zijn telefoon.
Een onbekend nummer.
Hij nam op.
“Hallo?”
Een mannenstem antwoordde.
“Je hebt kamer zeven gevonden.”
Thomas verstijfde.
“Wie ben je?”
“Dat doet er niet toe.”
“Waar is mijn vader?”
Een korte stilte.
“Dichterbij dan je denkt.”
Thomas keek om zich heen.
“Wat wil je?”
“Dat je stopt met zoeken.”
“Wie heeft Sophie dit aangedaan?”
“Niemand.”
“Wie is de vader van mijn kinderen?”
De stem zweeg.
Toen kwam het antwoord:
“Je hebt drie kinderen, Thomas.”
“Ja.”
“Maar je hebt drie verschillende waarheden.”
Thomas voelde zijn hart bonzen.
“Wat betekent dat?”
De stem antwoordde:
“Eén kind is van jou.”
Thomas sloot zijn ogen.
“Eén kind is van Daan.”
Hij slikte.
“En het derde…”
De stem werd zachter.
“…is van een man die jij zes jaar geleden persoonlijk hebt begraven.”
Thomas voelde zijn lichaam verstijven.
“Dat is onmogelijk.”
De verbinding werd verbroken.
Op hetzelfde moment hoorde hij achter zich een deur opengaan.
Thomas draaide zich om.
Een silhouet stond in de gang.
Een oude man.
Thomas keek naar zijn gezicht.
En voor het eerst in zes jaar hoorde hij die stem opnieuw.
“Dag, zoon.”
Thomas kon niet bewegen.
Zijn vader stond voor hem.
Levend.
En achter hem stond…
Isabelle.
Ze keek Thomas aan en glimlachte.
“Nu weet je eindelijk waarom Sophie je nooit de waarheid heeft verteld.”
Wordt vervolgd…






