DEEL 3 — DE MAN DIE ALLES WIST
Thomas bleef doodstil staan.
Zijn collega hield het pistool stevig op hem gericht.
“Laat je wapen vallen.”
Thomas keek naar het wapen.
Daarna naar zijn collega.
Inspecteur Mark van Leeuwen.
Ze werkten al bijna negen jaar samen.
Negen jaar.
Thomas had hem vertrouwd.
Meer dan veel anderen binnen het korps.
Maar nu stond Mark tegenover hem met een geladen pistool.
“Mark…”
“Niet bewegen.”
Op de grond lag Sophie bewusteloos.
Lina hield haar zus stevig vast.
Eva huilde zacht.
Victor stond tegen de muur.
En vreemd genoeg leek hij niet verbaasd.
Thomas zag dat.
“Jij wist hiervan.”
Victor keek hem niet aan.
Mark antwoordde:
“Je stelt de verkeerde vraag.”
Thomas kneep zijn ogen samen.
“Wat is dan de juiste vraag?”
Mark glimlachte.
“Hoeveel weet jij?”
Thomas voelde zijn hand langzaam richting zijn dienstwapen gaan.
Mark zag het.
“Niet doen.”
Thomas stopte.
“Als je mij wilde neerschieten, had je het al gedaan.”
“Klopt.”
“Dus waarom ben ik nog in leven?”
Mark keek naar Sophie.
“Omdat jij nog nuttig bent.”
Thomas voelde een koude rilling door zijn lichaam gaan.
“Nuttig waarvoor?”
“Voor de waarheid.”
Victor begon plotseling te lachen.
Niet hard.
Meer als iemand die eindelijk opgelucht was.
Thomas keek naar hem.
“Wat is hier grappig aan?”
Victor zei:
“Je begrijpt het nog steeds niet.”
Thomas keek naar Lina.
Het meisje zat ineengedoken achter de balie.
Maar haar ogen waren opvallend kalm.
Alsof ze iets wist.
Iets wat volwassenen niet begrepen.
Thomas fluisterde:
“Lina… wat weet jij?”
Het meisje keek naar Mark.
Daarna naar haar vader.
Toen zei ze:
“Hij is niet de enige.”
Thomas verstijfde.
“Wie?”
“De mensen die papa helpen.”
Mark keek plotseling naar haar.
“Hou je mond.”
Lina kromp ineen.
Thomas zag het.
Dat was geen normale reactie.
Dat was angst.
Diepgewortelde angst.
Hij draaide zich langzaam naar Mark.
“Hoe vaak heb je haar ontmoet?”
Mark antwoordde niet.
Thomas keek naar Victor.
“Hoe lang werkt hij al voor jou?”
Victor zuchtte.
“Veel langer dan jij denkt.”
Thomas voelde zijn maag samentrekken.
“Wat betekent dat?”
Mark zei:
“Het betekent dat deze zaak nooit over een verdwenen vrouw ging.”
Hij liet zijn pistool iets zakken.
“Het ging over de kinderen.”
Thomas keek naar Eva.
“Wat hebben zij hiermee te maken?”
Mark antwoordde:
“Hun moeder ontdekte wat Victor van plan was.”
“Wat?”
“Een experiment.”
Thomas fronste.
“Wat voor experiment?”
Victor stapte naar voren.
“Dat is genoeg.”
Mark draaide zich naar hem.
“Je kunt niet eeuwig blijven liegen.”
Victor keek hem ijskoud aan.
“En jij kunt niet vergeten wie je betaalt.”
Thomas hoorde het.
“Betalen?”
Mark zweeg.
Thomas begreep het.
“Victor betaalde jou.”
Mark keek hem aan.
“Niet alleen mij.”
Thomas voelde zijn hartslag versnellen.
“Wie nog meer?”
Mark keek naar de politiebadge op zijn borst.
Toen zei hij:
“Denk eens na over alle mensen die bij deze zaak betrokken zijn.”
Thomas begon namen op te noemen.
“De arts?”
Mark zweeg.
“De ambulance?”
Stilte.
“De apotheek?”
Mark keek weg.
Thomas voelde een afschuwelijke gedachte opkomen.
“De politie.”
Mark keek hem recht aan.
“Eindelijk.”
Op dat moment begon Eva te hoesten.
Lina rende naar haar toe.
“Eva!”
Thomas keek naar het meisje.
Eva opende langzaam haar ogen.
“Thomas…”
Hij knielde bij haar neer.
“Wat is er?”
Eva fluisterde:
“De koffer…”
Thomas voelde zijn hartslag versnellen.
“Welke koffer?”
“Die van mama.”
“Waar is die?”
Eva keek naar haar vader.
Victor werd onmiddellijk bleek.
“Eva, luister naar me.”
Het meisje schudde haar hoofd.
“Papa zei dat mama dood was.”
Victor stapte naar voren.
“Eva…”
“Maar ze was niet dood.”
Thomas keek naar Sophie.
Toen naar Victor.
“Wat bedoelt ze?”
Eva fluisterde:
“Papa hield haar vast.”
De kamer werd stil.
Thomas keek naar Victor.
“Waar?”
Eva wees naar Lina.
“Zij weet het.”
Lina schudde haar hoofd.
“Ik mag het niet zeggen.”
Thomas ging voor haar zitten.
“Je hoeft niet bang te zijn.”
Lina keek naar Mark.
“Hij weet waar het is.”
Thomas keek naar Mark.
“Waar?”
Mark antwoordde:
“De oude kliniek.”
Thomas kende die naam.
Een privékliniek die drie jaar geleden gesloten was na een financieel schandaal.
“Waarom zou Victor daar zijn?”
Mark keek naar Sophie.
“Omdat daar alles begon.”
Plotseling ging de telefoon van Thomas.
Een onbekend nummer.
Hij nam op.
Niemand sprak.
Alleen ademhaling.
Toen hoorde hij een stem.
Een mannenstem.
“Agent Vermeer.”
“Wie bent u?”
“Je hebt precies twaalf minuten.”
“Waarvoor?”
“Om naar de oude kliniek te gaan.”
Thomas keek naar Mark.
De man aan de telefoon ging verder:
“Neem Victor mee.”
Thomas zweeg.
“En breng de twee meisjes niet.”
Thomas keek naar Lina.
De stem werd zachter.
“Want als de kinderen daar komen, sterft iemand.”
De verbinding werd verbroken.
Thomas keek naar het scherm.
Victor zei niets.
Mark wel.
“Je gaat niet.”
Thomas keek hem aan.
“Waarom niet?”
“Omdat het een val is.”
“Dat weet ik.”
“Dan begrijp je ook dat je daar niet heen kunt.”
Thomas keek naar Sophie.
Toen naar de meisjes.
“Maar als ik niet ga, komt degene die dit heeft georganiseerd hierheen.”
Mark antwoordde:
“Dat is precies wat ze willen.”
Thomas dacht enkele seconden na.
Toen deed hij iets onverwachts.
Hij pakte zijn portofoon.
“Alle eenheden, luister goed. Niemand communiceert met de meldkamer.”
Mark keek geschrokken.
“Wat doe je?”
Thomas keek hem recht aan.
“Ik vertrouw niemand meer.”
Daarna trok hij Victor overeind.
“Jij komt met mij.”
Victor glimlachte.
“Je maakt een grote fout.”
Thomas antwoordde:
“Dat zullen we zien.”
Hij keek naar Lina.
“Blijf bij Sophie.”
Lina knikte.
Maar toen Thomas weg wilde lopen, greep Lina zijn hand.
“Agent…”
“Ja?”
Ze keek hem aan met tranen in haar ogen.
“Als je naar de kliniek gaat…”
Ze haalde diep adem.
“Zoek kamer 17.”
Thomas fronste.
“Waarom?”
Lina fluisterde:
“Omdat mama daar onze derde zus heeft begraven.”
Thomas verstijfde.
“Derde zus?”
Lina knikte.
“Eva en ik zijn een tweeling.”
“Dat weet ik.”
“Maar we waren niet met z’n tweeën.”
Thomas keek naar Victor.
Victor sloot zijn ogen.
Lina fluisterde:
“Papa heeft altijd gezegd dat onze derde zus nooit heeft bestaan.”
Toen ging plotseling de telefoon van Mark.
Hij keek naar het scherm.
Zijn gezicht veranderde.
Thomas zag de naam.
SOPHIE DE GRAAF.
Maar Sophie lag nog steeds bewusteloos op de vloer.
Mark nam niet op.
De telefoon bleef rinkelen.
Een tweede keer.
Een derde.
Toen verscheen er een bericht.
Mark keek ernaar.
Thomas zag slechts één zin:
“HIJ WEET DAT JE HEBT GEPRAAT.”
Mark werd lijkbleek.
En op datzelfde moment ging ergens diep in het politiebureau een deur open.
Een deur die volgens de plattegrond niet bestond.






