DE SCHADUW VAN BREDA
News Story

DE SCHADUW VAN BREDA

104 weergaven

Het kogelgat in het voorhoofd van Notaris Van der Meer was nog vers. Er sijpelde een dun stralen bloed over zijn rimpelige voorhoofd naar beneden op het Perzische tapijt.

"Blijf staan! Rijk niks aan!" schreeuwde Inspecteur De Wit, terwij hij zijn portofoon pakte en om versterking en de forensische dienst riep.

Ik staarde naar het opengebroken stalen kluisje. Nummer 114. Het originele bandje was weg. Het laatste, keiharde bewijs dat de hele waarheid bevatte over de moord op Henk, de corruptie bij de rechtbank en de betrokkenheid van het Antwerpse syndicaat, was in handen van de moordenaars.

"Ze waren ons net een stap voor," fluisterde ik wanhopig. Ik meed het lichaam van de notaris en leunde tegen de boekenlast. "Ze wisten dat het bandje in de kluis lag. Van der Meer heeft geklikt voordat ze hem neerschoten."

De Wit liep voorzichtig om het bureau heen en keek naar de computer die nog aanstond. Op het scherm stond een geopende e-mail, verstuurd slechts tien minuten geleden.

"Kijk eens," zei De Wit, wenkend dat ik dichterbij moest komen.

Ik boog me over het bureau. De e-mail was gericht aan een anoniem adres. De tekst was kort:

‘Het origineel is veiliggesteld. De oude man is geëlimineerd. We ontmoeten elkaar om 11:00 uur bij de loods in de Waalhaven, Antwerpen. Zorg dat het geld klaarstaat.’

"Antwerpen..." stamelde ik. "Ze brengen het bandje naar de opdrachtgevers in België."

"En ze gaan het daar vernietigen," vulde De Wit aan. His gezicht stond op onweer. "Dit gaat onze jurisdictie te buiten. Ik moet direct contact opnemen met de Belgische federale politie."

"Dat duurt te lang!" roep ik gefrustreerd. "Tegen de tijd dat de Belgische politie een inval organiseert, is het bandje verbrand en zijn de daders verdwenen! We moeten er NU achteraan!"

"Bent u gek geworden, Verhoeven?!" val De Wit tegen me uit. "U bent een burger! U bent gewond! Dit is een georganiseerde misdaadbende die niet aarzelen om notarissen en getuigen af te slachten! U gaat nergens heen!"

Ik keek De Wit recht in de ogen. "Inspecteur, mijn vrouw is vermoord. Mijn broer is vermoord. Mijn zoon ligt in het ziekenhuis met een kogel in zijn lijf. Als ik deze mensen niet laat boeten, heb ik niets meer om voor te leven. Begrijpt u dat niet?!"

De Wit zweeg. In zijn ogen las ik een strijd tussen de strikte regels van het politieprotocol en het menselijke mededogen voor een man die alles verloren had.

"Ik kan u niet meenemen," zei De Wit zacht. "Maar ik kan u ook niet opsluiten. De forensische dienst komt er zo aan. Als u nu het pand verlaat... kan ik u niet tegenhouden."

Ik begreep het signaal. "Dank u, inspecteur."

Zonder nog een seconde te verliezen liep ik het notariskantoor uit, de frisse ochtendlucht van Breda in. Mijn auto stond nog bij het Amphia Ziekenhuis. Ik nam een taxi terug naar het ziekenhuis, liep snel naar de parkeerplaats en stapte achter het stuur van mijn Volvo.

Het was inmiddels 9:15 uur. Ik had minder dan twee uur om in Antwerpen te komen en de loods in de Waalhaven te vinden.

Terwijl ik de A16 op draaide richting de Belgische grens, tolden de gedachten door mijn hoofd. Hoe kon ik in godsnaam in mijn eenstje een Antwerpse misdaadbende confronteren? Ik had geen wapen. Ik had geen medestanders. Ik had alleen mijn woede en een onstuitbare drang naar rechtvaardigheid.

Toen ik bij Hazeldonk de grens overstak, ging mijn telefoon over. Het was Thomas.

"Willem! Waar ben je?!" roep hij verontrust door de luidspreker. "Inspecteur De Wit belde dat je bent weggegaan bij het notariskantoor! Lotte is in paniek!"

"Thomas, luister goed naar me," zei ik met een klinkende, kalme stem. "Ik ben onderweg naar Antwerpen. De moordenaars van Ellen en Henk zijn daar. Ze hebben het originele bandje."

"Ben je helemaal besodemieterd?!" schreeuwde Thomas. "Keer om, Willem! Laat de politie dit oplossen!"

"De politie is gebonden aan regels, Thomas," zei ik. "Deze mensen niet. Ik moet het doen. Mocht er iets met mij gebeuren... zorg alsjeblieft voor Lotte en Lars. Zeg tegen Lars dat ik trots op hem ben. Dat hij een goede jongen is, ondanks alles wat er gebeurd is."

"Willem, wacht!" riep Thomas, maar ik verbrak de verbinding en gooide mijn telefoon op de bijrijdersstoel.

Rond 10:30 uur bereikte ik het uitgestrekte, rauwe industrieterrein van de Antwerpse haven. De Waalhaven was een doolhof van reusachtige roestige containers, torenhoge kraanconstructies en schimmige loodsen. De stank van zware stookolie en zout water hing in de lucht.

Ik reed stapvoets door de verlaten straten, op zoek naar Loods 42 — het nummer dat ik op het scherm van de notaris had gelezen.

Aan het einde van een doodlopende kade zag ik het gebouw. Een kolossale, vervallen loods met afgebrokkelde bakstenen en verroeste roldeuren. Voor de ingang stond een zwarte Mercedes met Belgisch kenteken geparkeerd. En daarnaast... de grijze auto van de vrouwelijke nep-rechercheur.

Ze waren er.

Ik parkeerde mijn Volvo honderd meter verderop achter een stapel oude scheepscontainers en stapte uit. Mijn schouder klopte van de pijn, maar ik negeerde het. Ik zocht op de grond naar een wapen en vond een zware, roestige ijzeren staaf van een halve meter lang.

Ik zakte door mijn knieën en sloop voorzichtig langs de zijkant van de loods.

Via een gebroken raam op ooghoogte keek ik naar binnen.

De loods was immens en schemerig. In het midden van de ruimte, onder een enkele hangende lamp, stonden drie mensen.

De vrouwelijke nep-rechercheur in het grijze pak.

Karel, de man met het litteken en het pistool.

En een derde man — een oudere, heel elegant geklede heer in een kostbaar pak, met een wandelstok met zilveren knop.

Op een houten krat tussen hen in lag het stalen kluisje. Karel hield de originele microcassette in zijn hand.

"Hier is het," zei Karel tegen de man met de wandelstok. "Het origineel. Alles wat Henk Verhoeven en Ellen Verhoeven hebben opgenomen. Als we dit verbranden, bestaat er geen enkel bewijs meer dat ons verbindt met de verduistering bij de rechtbank van Breda."

De man met de wandelstok knikte tevreden. hij haalde een goudkleurige aansteker uit zijn zak en klapte het klepje open.

"Mooi," zei de man met een ijzige, aristocratische stem. "Steek het in de brand. En laten we deze bladzijde uit het verleden voorgoed omslaan."

Karel bracht de vlam naar het plastic van de cassette.

Ik kon het niet meer aanzien. Mijn verstand uitschakelend, haalde ik diep adem, hief de ijzeren staaf op en sloeg met volle kracht tegen het houten kozijn van het raam. Het glas en het hout versplinterden met een verdovende knal.

"LAAT DAT BANDJE LOS!" brulde ik, terwij ik door het raam de loods binnen sprong.