DE SCHADUW VAN BREDA
News Story

DE SCHADUW VAN BREDA

105 weergaven

Een ijskoude golf van paniek sloeg door mijn lichaam. Ik rukte de infuusnaald uit mijn arm en sprong uit het ziekenhuisbed, negerend dat de scherpe pijn in mijn schouder me bijna weer naar de grond dwong.

"Willem! Wat doe je?!" roep Thomas geschrokken, terwij Lotte wakker schrok.

"Die vrouw!" schreeuwde ik, terwij ik wankelend naar de deur liep. "De vrouw met het grijze pak! Ze heeft het bandje!"

Ik duwde de deur van de kamer open. Op de gang stond inderdaad een lange, magere man in een donkerblauw politie-uniform. hij sprak met twee geüniformeerde agenten. Op zijn borststreek prikte een naampatram: Inspecteur De Wit.

"Meneer Verhoeven!" zei De Wit, terwij hij op me af stapte en me bij mijn elleboog greep. "Wat doet u?! U moet liggen!"

"Wie was die vrouwelijke rechercheur?!" schreeuwde ik buiten zinnen. "Een vrouw van rond de vijftig, grijs pak, kortharig! Ze zei dat ze Rechercheur De Jong heette! Ze heeft zojuist het cassettebandje meegenomen!"

Inspecteur De Wit’s gezicht verstrakte instantelijk. hij keek naar de twee agenten naast hem. "Hebben jullie iemand van de afdeling recherche voorbij zien komen?"

"Nee, inspecteur," zei een van de agenten verbaasd. "Alleen de verpleging en u."

"Godverdomme..." vloekte De Wit binnensmonds. hij pakte zijn portofoon. "Centrale, hier De Wit. We hebben een verdachte situatie op de derde verdieping van het Amphia. Een vrouw, rond de vijftig, grijs pak, heeft zich uitgegeven voor rechercheur en is er vandoor met cruciaal bewijsmateriaal. Vergrendel de uitgangen! Nu!"

Hij keek me met een strakke blik aan. "Meneer Verhoeven, kom mee. Uw zoon wil u spreken. Snel!"

We snelden naar de kamer van Lars aan het einde van de gang. Twee agenten stonden voor de deur, maar de beveiliging was blijkbaar zo lek als een mandje geweest.

Lars lag in het ziekenhuisbed. Zijn gezicht was doodsbleek, er liepen slangen uit zijn neus en een monitor piepte gestaag naast zijn hoofd. Maar zijn ogen waren open. Zodra hij mij zag binnenkomen, ontspande zijn verkrampte gezicht zich iets.

"Pap..." fluisterde hij. Zijn stem was niet meer dan een schor gerasp.

Ik knielde naast zijn bed en greep zijn trillende hand vast. "Lars... o god, Lars. Je leeft."

"Pap... het bandje..." stamelde hij. "Ze hebben het gehaald, hè? De vrouw..."

"Hoe wiste jij dat?!" vroeg ik stomverbaasd.

Lars haalde zwaar adem; elke ademteug kostte hem zichtbaar moeite. "Toen ze me naar de operatiekamer rolden... zag ik haar op de gang staan praten met een man. Ze dragen allebei een zilveren speld op hun revers... het logo van een notariskantoor in het centrum van Breda. Van der Meer & Partners."

Inspecteur De Wit boog zich voorover. "Notariskantoor Van der Meer? Dat is het kantoor dat de boedelafwikkeling van uw oude houthandel heeft gedaan, meneer Verhoeven!"

Mijn gedachten tolden. Notaris Van der Meer. Een gerespecteerde naam in Breda. Een oude man die vroeger bij ons over de vloer kwam voor de jaarcijfers van de houthandel. Was hij ook onderdeel van dit web?

"Lars," zei ik dringend. "Op het bandje dat ze net gestolen hebben... stond daar alles op? Is dat het enige bewijs?"

Lars schudde zijn hoofd heel langzaam. Een flauwe, kille glimlach verscheen op zijn bleke lippen.

"Denk je nou echt... dat ik zo dom was om het origineel mee te nemen naar de bruiloft, pap?" fluisterde hij.

Ik keek hem sprakeloos aan. "Wat?!"

"Het bandje dat ik op de bruiloft liet horen... en het bandje dat ik bij het kantoor had... dat waren kopieën," zei Lars. hij kneep zachtjes in mijn hand. "Ik heb de originele microcassette van oom Henk nooit van de zolder weggehaald. Ik heb hem ergens anders verborgen. Op de enige plek waar niemand durft te zoeken."

"Waar, Lars?!" vroeg De Wit scherp.

Lars keek de inspecteur aan, en daarna naar mij. "In de kluis van het oude Notariskantoor Van der Meer. Oom Henk heeft het daar zelf drie dagen voor zijn verdwijning in een kluisje gestopt onder een valse naam. Het huurcontract van dat kluisje... zit in de voering van mijn oude legertas op jouw zolder, pap."

Inspecteur De Wit keek op zijn horloge. "Het is nu acht uur 's ochtends. Het notariskantoor gaat over een uur open. Als Van der Meer in het complot zit met die valse rechercheur, gaan ze die kluis leeghalen zodra ze doorkrijgen dat het bandje dat ze net gestolen hebben slechts een kopie is."

"Dan moeten we er als eerste zijn," zei ik vastberaden.

"U gaat nergens heen, meneer Verhoeven," zei De Wit streng. "U bent neergeschoten, u heeft medische rust nodig."

"Mijn vrouw is vermoord, mijn zoon ligt hier half dood, en mijn hele leven is kapotgemaakt!" schreeuwde ik, terwij ik opstond. "Ik ga mee, inspecteur! Of u het nu wilt of niet. Ik ken Van der Meer. Hij zal praten als hij mij ziet."

De Wit twijfelde een seconde, keek naar de vastberadenheid in mijn ogen en knikte uiteindelijk. "Vooruit. Maar u blijft achter mij. En u draagt een kogelvrij vest."

Vijftien minuten later reden we in een onopvallende politiewagen met hoge snelheid richting het historische centrum van Breda. De regen was opgehouden, maar het wolkendek hing laag en grauw boven de Grote Kerk.

Het pand van Notariskantoor Van der Meer was een imposant, oud herenhuis aan de Wilhelminasingel.

De Wit parkeerde de auto een straat verderop. Twee arrestatieteams in zwarte kleding verzamelden zich in de steeg achter het pand.

"We gaan discreet naar binnen," zei De Wit, terwijl hij zijn pistool controleerde. "We willen geen gijzelingssituatie."

We liepen naar de zware eikenhouten voordeur van het notariskantoor. De Deur was al van het slot. We doken de stijlvolle ontvangsthal in. Het rook er naar oud papier, boenwas en dure koffie.

Het was er doodstil. Te stil.

"Politie!" riep De Wit met luide stem, zijn wapen gericht op de gang. "Is hier iemand?!"

Geen antwoord.

We sluipten door de gang naar het achterkantoor, waar de zware stalen kluisdeur openstond.

Toen we de kamer binnenstappen, verstijfde de inspecteur.

Op de grond achter het grote eikenhouten bureau lag een man in een duur maatpak. Het was Notaris Van der Meer. Hij lag op zijn rug, zijn ogen starerend naar het plafond. In het midden van zijn voorhoofd zat een klein, zuiver kogelgat.

En op het bureau voor hem lag het stalen kluisje nummer 114. Het was met geweld opengebroken.

Het kluisje was leeg.