Mijn vingers grabbelden wanhopig door het natte, koude gras aan de achterzijde van het kantoorpand. De regen sloeg genadeloos in mijn gezicht, vermengd met het zoute zweet en de tranen van pijn. Mijn linkerschouder voelde alsof er een gloeiende pook in gestoken was. Elke beweging stuurde een scherpe, verlammende scheut door mijn bovenlichaam, maar ik mocht niet opgeven.
Karel was het Mastbos in gegaan, achter Lars en Ellen aan. Ik hoorde het vage geluid van brekende takken in de verte, snel overstemd door het huilen van de wind en het constante roffelen van de donder. Als ik het bandje niet vond voordat Karel doorkreeg dat hij op het verkeerde spoor zat, was alles voor Niets geweest.
"Waar ligt het..." fluisterde ik wanhopig, terwijl ik op mijn knieën door de modder kroop. Mijn handen waren zwart van het vuil, mijn pak verwoest.
Mijn linkerhand raakte iets hard en scherps. Een stuk gebroken glas van het kantoorraam. Ik negeerde de snede in mijn palm en zocht verder. Een halve meter verderop glom een klein, rechthoekig voorwerp onder de straal van mijn telefoon, die op de grond lag.
De cassette-afspeler was in stukken gebroken door de val. De plastic behuizing lag uit elkaar geklikt. Maar vlak daarnaast, half bedekt door een kletsnat eikenblad, lag de microcassette. Hij leek intact.
Ik griste het bandje weg, stak het diep in de binnenzak van mijn kletsnatte jas en raapte mijn telefoon op. Het scherm was gebarsten, maar de lamp werkte nog.
Ik moest keuzes maken. Mijn wagen stond aan de voorkant van het terrein, maar Karel kon elk moment terugkeren. Mijn zoon en mijn vrouw renden onbewapend door een doolhof van bomen, achtervolgd door een gewapende moordenaar.
Ik dwong mezelf te gaan staan. De wereld tolde voor mijn ogen. Het bloedverlies maakte me licht in het hoofd. Ik scheurde een strook van mijn overhemd af en klemde die zo strak mogelijk onder mijn jas tegen de schotwond. De pijn deed me naar adem snakken, maar het bloeden verminderde iets.
Ik volgde de sporen in het kapotgetrapte gras richting de bosrand. Lars en Ellen hadden geen duidelijke richting gekozen; ze waren in paniek de duisternis in getrokken.
Het Mastbos bij Breda is overdag een prachtig, nostalgisch wandelgebied vol oude dennen, beuken en kronkelende zandpaden. Maar 's nachts, midden in een wolkbreuk, veranderde het in een beklemmend, onheilspellend moeras. De bomen toonden zich als zwarte silhouetten tegen de door bliksem flitsen verlichte lucht.
Ik struikelde over boomwortels, mijn voeten zakten weg in de drassige grond. "Lars..." fluisterde ik, niet durvend mijn stem te verheffen.
Na honderd meter lopen stopte ik. In de verte lichtte een dunne straal op. Een zaklamp. Karel. Hij liep traag, rustig, alsof hij wist dat zijn prooi niet ver kon komen. hij bewoog richting de oude turfvaart, een smal water dat door het bos kronkelt.
Toen hoorde ik het. Een zacht, krakend geluid rechts van me, in een dicht struikgewas van hulst en bramen.
Ik sluipt er langzaam naartoe. "Lars?" ademde ik.
Er bewoog iets. Een gedaante kwam tevoorschijn uit de struiken. Het was Ellen. Ze was alleen. Haar dure zilveren jurk was gescheurd en bedekt met zwarte blubber. Haar verfijnde kapsel hing in natte stengen langs haar gezicht. Ze trilde over haar hele lichaam, niet alleen van de kou, maar van pure doodsangst.
"Willem!" fluisterde ze wanhopig. Ze greep me vast, haar vingers haken in mijn natte jas. "O mijn God, je bloedt! Hij heeft je neergeschoten!"
"Waar is Lars?" vroeg ik hard, terwijl ik haar van me af duwde. "Ellen, waar is onze zoon?!"
"Hij... hij heeft me achtergelaten," stamelde ze, en haar stem klonk gebroken. "We renden samen, maar toen we de lichten van Karel zagen, zei Lars dat we moesten splitsen. Hij rende richting de stenen brug bij de Effenseweg. Hij zei dat hij Karel bij mij vandaan zou lokken..."
"Je hebt je zoon als afleidingsmanoeuver gebruikt?!" snauwde ik woedend.
"Nee! Ik wilde het niet! Hij duwde me de struiken in!" huilde ze. "Willem, je moet me geloven! Alles wat ik gedaan heb... al die jaren... ik deed het om ons gezin te beschermen! Om Lars te beschermen!"
"Lieg niet meer tegen mij!" schreeuwde ik op een onderdrukte toon. Ik greep haar bij haar kraag. "Je deed het voor jezelf! Je liet Henk verdrinken! Je hebt vijfentwintig jaar lang geld overgemaakt naar die moordenaar om je eigen hachje te redden! En nu staat onze zoon op het punt vermoord te worden door jouw schuld!"
Ellen keek me aan, en voor het eerst zag ik de absolute leegte in haar ogen. Geen verdediging meer. Geen juristentaal. Alleen de naakte, gruwelijke werkelijkheid van een opgebouwd kaartenhuis dat definitief instortte.
"Het geld..." fluisterde ze. "Het geld op de rekeningen... het was niet alleen van de houthandel, Willem. Henk en ik... we hadden een manier gevonden om geld van de rechtbank te verduisteren. Miljoenen. Als Karel mij pakt, pakt de politie mij ook. Ik ga levenslang de gevangenis in."
Ik stootte haar vol afschuw van me af. "Je bent een monster, Ellen. Ik ken je niet meer."
Ik draaide me om en wilde richting de stenen brug rennen, maar op dat moment weerklonk er een ijzingwekkende schreeuw door het bos. Een stem die ik uit duizenden herstelde.
"PAP!"
Het was Lars. De schreeuw kwam van bij de stenen brug. En direct daarna volgde een doffe knal — een schot dat nagalmde tussen de hoge dennenbomen.
"LARS!" brulde ik, alle voorzichtigheid vergetend.
Ik rende alsof mijn leven ervan afhing door het struikgewas. De takken sloegen in mijn gezicht, de pijn in mijn schouder was niet meer te verdragen, maar ik bleef rennen.
Toen ik bij de oude stenen brug over de turfvaart kwam, verlichtte een enorme bliksemflits de omgeving.
Op de brug stond Karel. Hij boog zich over de stenen balustrade. Vlak voor hem lag een donkere gedaante op het natte wegdek. Lars. hij bewoog niet meer.
Karel tilde Lars bij zijn jas omhoog, alsof hij een dodelijk slachtoffer over de rand wilde kieperen, het kolkende, zwarte water van de vaart in.
"HALT!" schreeuwde ik, terwij ik het bruggetje op stormde.
Karel draaide zich langzaam om. Het pistool in zijn hand glom in de regen. Hij keek me met een ijzige glimlach aan.
"Te laat, Willem," zei hij. "Je zoon is er geweest. En nu is het jouw beurt."
Hij richtte het wapen recht op mijn voorhoofd.






