"Blijf rustig en medewerking verlenen," zei de voorste spoorwegagent. Zijn stem was formeel, maar zijn hand bleef strak op het handvat van zijn taser rusten. "Jullie staan gesignaleerd. We hebben bevel om jullie aan te houden."
Daniel keek naar de noodrem aan de wand van de coupé. Ik zag de gedachte in zijn ogen opflakkeren.
"Doe het niet, Daniel," zei de agent, die de blik van mijn broer volgde. "Als je aan de noodrem trekt, blokkeert de trein en sluiten de deuren automatisch. Dan zit je pas echt klem."
Ik keek naar de badge van de agent. Er was iets vreemds aan zijn uniform. Het embleem op zijn mouw was verbleekt en de man drong niet aan op boboeien, maar keek nerveus naar de gang achter zich.
"Wie heeft jullie gestuurd?" vroeg Elisabeth ineens vanaf haar stoel. Haar stem was verrassend scherp. "De politiecentrale? Of de Stichting?"
De agent aarzelde een fractie van een seconde. Die aarzeling was voor mij genoeg.
"Het zijn geen echte agenten!" schreeuwde ik.
Daniel bedacht zich geen seconde. Hij sprong over de tafel heen en beukte met zijn volle gewicht tegen de voorste man aan. De man vloog achterover de gang in. De tweede zogenaamde agent trok een wapen, maar Elisabeth reikte met haar gezonde been uit en schopte hem hard tegen zijn scheenbeen.
De man struikelde. Ik pakte het lederen dossier, greep Elisabeths arm en schreeuwde naar Daniel: "Lopen!"
We rennen door de smalle gang van de trein, terwijl de wagons heen en weer wiegden. Achter ons hoorden we de schreeuwen van de twee mannen. Een schot knalde door de trein; het glas van een van de tussendeuren vloog in duizend spatten uiteen.
Passagiers in de andere wagons gilden en doken weg onder hun stoelen. Panic brak uit.
"Richting de machinist!" riep Daniel.
We rennen door drie wagons heen totdat we bij de cabine van de machinist aan de voorkant van de trein kwamen. Daniel sloeg wild op de ruit van de cabinedeur. De machinist, een jongere man met een koptelefoon om zijn nek, keek geschrokken om.
"Maak open! Er zijn gewapende mannen in de trein!" schreeuwde Daniel.
De machinist zag het bloed op Daniels gezicht en de paniek in onze ogen en ontsloot de deur. We glipten naar binnen en Daniel sloeg de deur achter ons dicht en draaide de grendel om.
"Wat is er aan de hand?" riep de machinist geschrokken. "Ik ga de verkeersleiding bellen!"
"Nee, luister naar me!" zei ik dringend. "We moeten stoppen bij station Driebergen! Niet doorrijden naar de hoofdstad!"
"Ik kan niet zomaar stoppen! Het signaal staat op groen en..."
Voordat hij zijn zin kon afmaken, klonk er een harde klap tegen de cabinedeur. Een van de achtervolgers sloeg met de kolf van zijn pistool tegen het geharde glas. Er ontstond een spinnenweb van scheuren in de ruit.
De machinist werd doodsbleek. "Mijn god, ze hebben een wapen!"
"Trek aan de rem!" schreeuwde ik. "Nu!"
De machinist bedacht zich niet langer en trok de zware rode hendel van de noodrem omlaag.
De koplampen van de trein verlichtten het spoor. Met een oorverdovend gekrijs van metaal op metaal kwamen de remmen van de intercity vast te zitten. De G-krachten wierpen ons allemaal tegen de wanden van de cabine. Buiten vlogen de vonken metershoog langs de ramen.
De trein gleed slingerend over het spoor en kwam met een schokkende stilstand te staan, precies op het kleine, onverlichte perron van station Driebergen.
"Deuren ontgrendelen!" riep Daniel.
De machinist drukte op de knop. De deuren van de trein zwaaiden met een sissend geluid open.
We hielpen Elisabeth uit de cabine en sprongen het perron op. De ochtend lucht was koud en mistig. Het station was volledig uitgestorven.
Achter in de trein zagen we de twee mannen uit de wagon springen. Ze zagen ons en begonnen over het perron onze kant op te rennen.
"Laura! Hier!" klonk een stem vanaf de parkeerplaats achter het stationsgebouw.
Een zwarte sedan stond met draaiende motor bij de uitgang. Naast de auto stond een vrouw van middelbare leeftijd met een strakke mantel en kort grijs haar. Ze zwaaide dringend naar ons.
"Mr. Verschueren?" riep ik.
"Snel, stap in!" riep ze terug.
We rennen de trap van het perron af, de parkeerplaats op. Daniel duwde Elisabeth op de achterbank van de sedan en ik klom er achteraan. Daniel stapte als laatste in en sloeg de deur dicht.
De auto trok met hoge snelheid op, precies op het moment dat de twee achtervolgers de parkeerplaats op renden en vergeefs schoten afvuurden op onze achterruit. Het kogelvrije glas hield stand; er ontstonden slechts kleine witte inslagpunten.
Ik haalde diep adem. We waren ontsnapt.
Ik keek naar de vrouw achter het stuur. "Mevrouw Verschueren? Bedankt... u was net op tijd."
De vrouw keek via de binnenspiegel naar mij. Haar gezicht vertoonde geen enkele emotie. Geen reliëf, geen medelijden.
"Het was een kleine moeite, Laura," zei ze met een ijzige stem.
Ze sloeg niet af richting het hoofdbureau van politie. In plaats daarvan stuurde ze de auto een afgelegen industrieterrein op.
Mijn maag kromp ineen.
"Mevrouw Verschueren..." stamelde ik. "Waar gaan we heen? Dit is niet de weg naar het Parket."
De vrouw pakte haar telefoon en sprak een korte boodschap in: "Ik heb ze. Alle drie. Inclusief het dossier. We zijn er over vijf minuten."
Ik keek naar Daniel. Zijn gezicht was van kleur verschoten.
Verschueren werkte niet voor Justitie.
Zij wás de hoogste beschermheer van de Van der Meer Stichting.






