De stilte in de auto was verstikkend. Daniels snikken was het enige geluid dat door de ruimte snijd. Mijn neefje en nichtje – zijn kinderen – waren negen en zes jaar oud. De gedachte dat Marcus van der Meer hen iets zou aandoen om mij te dwingen me over te geven, maakte me woedend en radeloos tegelijk.
"Hij meent het, Laura," bracht Daniel er stotterend uit. "Marcus schrikt nergens voor terug. Hij heeft de middelen en de mensen om mijn gezin te vernietigen."
"We laten hem je gezin niet aanraken," zei ik vastberaden. Maar van binnen beefde ik. "Elisabeth, wie is er nog meer van de stichting die we kunnen vertrouwen? Er moet toch iemand zijn geweest die zich tegen hen verzette?"
Elisabeth keek uit het raam naar de donkere maïsvelden. "Er was één man... Dokter Hendrickx. Hij was de kinderarts die veertig jaar geleden ontdekte waar Robert en Victor mee bezig waren. Hij heeft geprobeerd de inspectie in te schakelen, maar ze hebben hem destijds kapotgemaakt. Zijn medische licentie werd ingetrokken en hij werd monddood gemaakt. Als hij nog leeft, woont hij in de oude stad."
"We gaan naar Hendrickx," besloot ik. "Hij is de enige die ons kan helpen de medische codes in dit dossier te begrijpen en die ons misschien bewijs kan geven dat hard genoeg is om rechtstreeks naar het Ministerie van Justitie te stappen."
Ik startte de motor weer. Zonder licht te voeren reed ik langzaam het boerenpad af, aan de andere kant van de boerderij, weg van de hoofdweg waar de zwarte SUV eerder had gestaan. We namen de binnendoorwegen richting de oude stad, een rit van ruim veertig minuten door het pikkedonker.
Rond drie uur 's nachts kwamen we aan in een vervallen wijk aan de rand van de stad. De straatverlichting knipperde op het ritme van de wind. Het adres dat Elisabeth zich herinnerde, was een klein, overwoekerd rijtjeshuis aan het einde van een doodlopende straat.
We hielpen Elisabeth uit de auto en liepen naar de voordeur. Ik belde aan. Een lange minuut gebeurde er niets. Ik belde nogmaals, ditmaal langer.
Eindelijk ging er op de eerste verdieping een licht aan. Een klein raampje werd geopend en een oudere man met een verwarde bos wit haar keek naar beneden.
"Wie is daar op dit uur?" snauwde hij geïrriteerd.
"Dokter Hendrickx?" riep Elisabeth met hese stem. "Ik ben het... Elisabeth Vermeer. Met de dochter van Margaret."
De man bij het raam verstijfde. Het raam sloeg dicht. Een paar seconden later hoorden we het geluid van meerdere sloten die werden losgedraaid. De zware eikenhouten deur zwaaide open.
Dokter Hendrickx zag er broos uit, gekleed in een oude studeerjas, maar zijn ogen waren scherp. Hij keek naar Elisabeth, daarna naar mij en Daniel. Zonder een woord te zeggen wenste hij ons snel naar binnen en sloeg de deur achter ons op slot.
"Jullie zijn gek om hierheen te komen," fluisterde hij, terwijl hij de gordijnen van de Woonkamer strak dichttrok. "Weet je wel wie jullie achter je aan hebben?"
"Marcus van der Meer," zei ik. Ik legde het lederen dossier op zijn salontafel. "We hebben het archief uit de kelder van mijn moeder."
Hendrickx staarde naar de map alsof het een giftige slang was. Met trillende handen boog hij zich eroverheen en begon de pagina's om te slaan. Naarmate hij verder las, werd zijn gezicht steeds grijzer.
"Mijn God..." fluisterde hij. "Ze zijn er nooit mee gestopt. Ik dacht dat het na de dood van Robert Jansen voorbij was."
"Waarom zijn ze niet gestopt, dokter?" vroeg ik. "Wat staat er in die medische codes?"
Hendrickx keek me met een blik van diep medelijden aan. "Laura... jouw vader, Robert, was een genie op het gebied van genetica, maar hij had geen enkel moraal kompas. Hij ontdekte in de jaren tachtig dat een zeer klein percentage van de bevolking een unieke genetische afwijking heeft – een antilichaam dat het immuunsysteem in staat stelt om vrijwel elke vorm van celafstoting te omzeilen. Het maakt jouw bloed en weefsel universeel compatibel met iedereen."
Ik voelde de grond onder mijn voeten wegzakken. "Mijn bloed?"
"Jij bent niet zomaar gekocht, Laura," zei Elisabeth zacht. "Je bent door Robert gecreëerd. Je biologische vader heeft mijn zwangerschap medisch beïnvloed. Jij bent een universele donor."
"En Marcus van der Meer heeft een zeldzame vorm van leukemie," vulde Hendrickx aan. "Hij heeft al twee beenmergtransplantaties gehad die faalden. Jij bent de enige op de wereld wiens stamcellen zijn leven kunnen redden zonder dat zijn lichaam ze afstoot. Maar de ingreep die hij gepland heeft... een volledige orgaan- en stamceloogst... is dodelijk voor de donor."
Een ijzige stilte viel over de kamer.
Marcus wilde mij niet alleen stilhouden. Hij wilde mij gebruiken als een menselijke wisselbocht voor zijn eigen overleven. Hij wilde mijn leven nemen om dat van hem te verlengen.
"We moeten dit naar de media brengen," zei Daniel paniekerig. "Als we dit publiceren, kan hij ons niets meer aandoen!"
"Als je dit naar de media brengt voordat je bescherming hebt, ben je binnen een uur dood," zei Hendrickx hard. "Marcus controleert de machtigste kranten en de politieke kopstukken. Je hebt een onafhankelijke officier van justitie nodig. Iemand die buiten de invloedssfeer van de stichting staat."
"Wie dan?" vroeg ik wanhopig.
"Er is een vrouwelijke officier in de hoofdstad, Mr. Verschueren," zei Hendrickx. "Ze onderzoekt al jaren de financiële stromen van de Van der Meer Stichting, maar ze miste altijd het medische bewijs. Met dit dossier kan ze morgenochtend een arrestatiebevel uitvaardigen."
Plotseling hoorden we buiten het geluid van een glas dat brak.
Hendrickx verstijfde. Hij gebaarde dat we stil moesten zijn.
Door de kieren van de gordijnen zag ik de vlammen opflakkeren. Mijn auto, die voor de deur geparkeerd stond, stond in lichterlaaie.
En vanuit de donkere straat klonk het geluid van zware voetstappen die de oprijlaan op kwamen.
"Ze hebben ons gevonden," fluisterde Daniel met een stem vol angst.
De voordeur werd met een enorme klap ingetrapt.






