"Elisabeth!" schreeuwde ik.
Ik bedacht me geen seconde. Ondanks de verstikkende rook en de schroeiende hitte rende ik terug naar de trap. Elisabeth lag op de grond, half bedekt door een smeulende houten balk. Haar gezicht was zwart van het roet en haar ogen waren gesloten, maar ze ademde nog.
Met al mijn kracht tilde ik de brandende balk van haar been. Mijn handen brandden aan het hete hout, maar ik voelde de pijn nauwelijks door de adrenaline. Ik greep Elisabeth onder haar oksels en sleepte haar weg van de instortende trap, richting de achterkant van de kelder waar Daniel het gat in de muur groter aan het maken was.
"Help me, Daniel!" riep ik.
Daniel keek om, zag het vuur dat de trap al volledig had opgeslokt, en aarzelde even. Dan liet hij de ijzeren staaf vallen en hielp me om Elisabeth door de smalle opening in de muur te hijsen.
Aan de andere kant van de muur bevond zich een donkere, vochtige gang. De lucht was er koud en rook naar aarde en schimmel, maar het was zuivere zuurstof vergeleken met de dodelijke rook in de kelder. We kruipen er allemaal doorheen en vielen op de drassige grond van de oude tunnel.
Boven ons klonk een verdovende knal. Het dak van de schuur was ingestort. De opening in de muur werd vrijwel direct geblokkeerd door invallend puin en smeulende resten, waardoor de tunnel in pikdonker werd gehuld.
We lagen daar enkele seconden, zwaar ademhalend in het duister. Alleen het gedempte knetteren van het vuur boven ons herinnerde aan de hel waaraan we net waren ontsnapt.
Ik zette mijn zaklamp aan, die ik gelukkig in mijn jaszak had gestoken. Het felwitte licht scheen over de bakstenen muren van de oude ijskelder. Elisabeth kreunde zachtjes en opende haar ogen.
"Gaat het?" vroeg ik bezorgd, terwijl ik haar over haar voorhoofd streek.
"Mijn been..." fluisterde ze. "Het doet pijn... maar ik leef nog."
Daniel zat tegen de muur geklinkerd, zijn hoofd tussen zijn knieën. Hij trilde over zijn hele lichaam. "Ze hebben geprobeerd ons te vermoorden," stamelde hij. "Ze wisten dat we hier waren. Ze hielden me al dagen in de gaten."
Ik ging voor hem staan en richtte de zaklamp recht op zijn gezicht. "Wie zijn 'ze', Daniel? Geen leugens meer. Zeg me wie er achter dit alles zit!"
Daniel keek op, zijn ogen rood door de rook en de angst. "Het is de maatschap," zei hij zacht. "De Van der Meer Stichting. Het leek een liefdadigheidsinstelling voor ongehuwde moeders, opgericht in de jaren zeventig. Maar in werkelijkheid was het een dekmantel voor illegale adopties van rijke echtparen die niet via de officiële weg een kind konden krijgen. Vader was de hoofdarts, maar de leiding lag bij Victor van der Meer."
Elisabeth richtte zich op met een schok. "Victor van der Meer? leeft die man nog?"
"Nee," zei Daniel. "Victor is tien jaar geleden overleden. Maar zijn zoon, Marcus van der Meer, heeft de stichting overgenomen. Marcus is nu een invloedrijk politicus. Als bekend wordt hoe zijn familie aan hun vermogen is gekomen, en hoe hij tot op de dag van vandaag mensen chanteert met dossiers uit het verleden, is hij alles kwijt. Hij ontdekte dat mama de notaris opdracht had gegeven om Laura de sleutel te geven. Hij wilde dat verhinderen."
Ik klemde het lederen dossier dat ik uit de kelder had gered stevig tegen mijn borst. "Dus Marcus van der Meer heeft mijn moeder vermoord?"
"Ik weet het niet zeker," fluisterde Daniel. "Maar nadat mama overleed, kreeg ik een anoniem telfoontje. Een stem zei dat als ik de dossiers in de kelder niet zou vernietigen, ik hetzelfde lot zou ondergaan."
Ik slikte moeizaam. Alles wat ik dacht te weten over mijn leven stortte als een kaartenhuis in elkaar. Mijn hele bestaan was geweven uit een web van misdaad, corruptie en leugens.
"We kunnen hier niet blijven," zei ik beslist. "De tunnel moet ergens naar buiten leiden. Elisabeth heeft medische hulp nodig."
We hielpen Elisabeth overeind. Ze kon nauwelijks op haar rechterbeen staan, dus ondersteunden Daniel en ik haar aan weerszijden. Langzaam schuifelden we door de smalle tunnel. De gang steeg geleidelijk. Na honderd meter lopen zagen we een zwak lichtpuntje in de verte.
Het spoor leidde naar een oud houten luik dat half verscholen lag onder een dikke laag struikgewas in het bos achter ons perceel. Daniel duwde het luik open. Koude nachtlucht en een lichte regen kwamen ons tegemoet.
We klommen voorzichtig naar buiten. In de verte zagen we de oranje gloed van de brandende schuur en het rode zwaailicht van de eerste brandweerwagens die met gillende sirenes de straat in reden.
"We kunnen niet bij het huis blijven," zei ik. "Als de mensen van Marcus van der Meer daar zijn, zien ze dat we de brand hebben overleefd."
"Waar moeten we heen?" vroeg Daniel paniekerig.
"Naar mijn huis," antwoordde ik. "In de stad. Niemand weet dat ik hier vanavond was, behalve jij en Elisabeth. We moeten de inhoud van dit dossier bekijken en uitzoeken wat onze volgende stap is."
We liepen om het terrein heen naar mijn auto, die verderop in een donkere zijstraat geparkeerd stond. We hielpen Elisabeth op de achterbank. Ik stapte achter het stuur en Daniel ging naast me zitten.
Toen ik de motor startte en de koplampen aangingen, zag ik in de achteruitkijkspiegel een zwarte SUV staan aan het einde van de straat. De motor van die auto draaide, maar de lichten stonden uit.
Mijn hart sloeg een slag over.
"Rijd weg," fluisterde Daniel. "Rijd nu weg!"
Ik trapte het gaspedaal in. De auto schoot vooruit. Maar zodra we de hoek om gingen, zag ik in de spiegel dat de zwarte SUV zijn koplampen inschakelde en langzaam achter ons aan begon te rijden.
We werden achtervolgd.






