Mijn moeder liet me na haar dood een sleutel achter…
News Story

Mijn moeder liet me na haar dood een sleutel achter…

1 weergaven

De klap van de binnengedrongen voordeur galmde door het kleine huis van dokter Hendrickx. Splinters hout vlogen door de gang.

"Naar de keuken! Nu!" schreeuwde Hendrickx.

We rennen de smalle gang door naar de achterzijde van het huis. Daniel droeg Elisabeth half, terwijl ik het cruciale dossier stevig onder mijn arm geklemd hield. Achter ons hoorden we de zware stappen van minstens twee gewapende mannen die het huis binnendrongen.

"Zoek het meisje en de map!" riep een rauwe stem vanuit de gang. "Geen getuigen!"

Hendrickx trok een zware eikenhouten keukendeur dicht en schoof een grote metalen grendel erop. Hij rende naar het achterraam dat uitkeek op een smalle steeg. "Er is een vluchtroute via de steeg naar de achterliggende straat! Ga!"

"En u dan?" riep ik, terwijl Daniel het raam openwrikte.

"Ik ben een oude man, Laura! Mij moeten ze niet hebben!" zei Hendrickx beslist. Hij pakte een zware gietijzeren koekenpan van het fornuis en ging bij de deur staan. "Geef het dossier aan Mr. Verschueren! Zorg dat de wereld de waarheid te weten komt!"

De keukendeur begon te splinteren onder de slagen van de indringers aan de andere kant.

Daniel klom als eerste door het raam en hielp Elisabeth naar buiten. Ik volgde direct daarna. Net op het moment dat ik mijn benen over de raamkozijn zwaaide, brak de keukendeur open. Ik keek één seconde om en zag een grote man in een zwart pak die een pistool op dokter Hendrickx richtte.

Er klonk een gedempte knal.

"Nee!" schreeuwde ik.

"Laura, spring!" gilde Daniel.

Hij trok me hardhandig door het raam naar buiten. Ik viel in de natte, vuile steeg. De traanvocht verblindde mijn ogen, maar er was geen tijd om te rouwen. We rennen voor ons leven door de donkere steeg, geholpen door de duisternis van de nacht.

Aan het einde van de steeg kwamen we uit in een drukkere straat waar nog enkele taxi's reden. Daniel zwaaide wild met zijn armen naar een naderende gele taxi. De chauffeur stoorde, opgeschrikt door onze verwaarloosde en met roet bedekte verschijning.

"Naar het Centraal Station! Snel!" schreeuwde Daniel terwijl hij de deur openrukte en Elisabeth op de achterbank duwde.

Ik stapte in en keek achterom. Uit de steeg kwamen de twee mannen in zwarte pakken rennen. Een van hen trok een wapen onder zijn jas vandaan, maar de taxi trok met spinnende banden op en schoot de straat in.

"Wat is er aan de hand met jullie?" vroeg de taxichauffeur geschrokken, terwijl hij in zijn binnenspiegel keek.

"Rijd gewoon!" snauwde Daniel, terwijl hij een stapel bankbiljetten op de voorstoel gooide. "En stel geen vragen!"

De chauffeur hield zijn mond en gaf gas.

Op de achterbank klemde ik het dossier tegen me aan. Mijn handen trilden onbeheersbaar. Dokter Hendrickx was dood. Vermoord omdat hij ons wilde beschermen. De schuldgevoelens sneden door mijn ziel. Waarom had mijn moeder me deze sleutel gegeven? Was het om gerechtigheid te zoeken, of had ze me in een dodelijke valstrik gelokt?

"We moeten naar de hoofdstad," zei ik tegen Daniel, terwijl ik mijn tranen wegveegde. "Mr. Verschueren is onze enige hoop."

"Hoe komen we daar?" vroeg Daniel. "Marcus controleert de wegen en kent ons kenteken. De treinen zijn ook gevaarlijk als ze de stations in de gaten houden."

"Het station is zo groot dat we in de massa kunnen verdwijnen," zei Elisabeth zwakjes. "Als we de vroege ochtendtrein van vier uur nemen, zijn we voor zonsopgang in de hoofdstad."

We kwamen aan bij het Centraal Station. Het was vier uur 's morgens en de grote hal was vrijwel uitgestorven, afgezien van een paar zwervers en de eerste forensen. We kochten contant drie kaartjes voor de intercity naar de hoofdstad.

We zochten een rustige plek in een achterste wagon van de trein. Elisabeth lag met haar hoofd tegen het raam, uitgeput en bevangen door de pijn in haar been. Daniel zat tegenover mij, zijn gezicht grauw en ingevallen.

Toen de trein langzaam het station uitreed, haalde ik mijn telefoon tevoorschijn. Ik zocht het nummer van het Parket van de Hoofdstad en vond de rechtstreekse lijn van Mr. Verschueren.

Ik drukte op bellen. Het was uiteraard nog te vroeg, maar ik hoopte op een voicemail.

Tot mijn verassing werd de telefoon na drie keer overgaan opgenomen.

"Met Mr. Verschueren," klonk een strakke, zakelijke vrouwenstem.

"Mevrouw Verschueren?" zei ik met trillende stem. "Mijn naam is Laura Vermeer. Ik ben de dochter van Margaret Jansen en Elisabeth Vermeer. Ik heb het medische archief van de Van der Meer Stichting."

Het bleef aan de andere kant van de lijn secondenlang stil.

"Laura Vermeer?" zei Verschueren, en haar stem veranderde van zakelijk naar uiterst gespannen. "Waar ben je nu?"

"In de trein naar de hoofdstad. We hebben bewijs van de illegale adopties, de stamcelexperimenten en... en ze hebben dokter Hendrickx zojuist vermoord."

"Luister heel goed naar me, Laura," zei Verschueren dringend. "Je moet onmiddellijk uit die trein stappen bij de eerstvolgende halte."

"Waarom?" vroeg ik angstig.

"Omdat Marcus van der Meer een half uur geleden een federaal opsporingsbevel tegen jou en je broer heeft laten uitvaardigen. Hij heeft de autoriteiten wijsgemaakt dat jullie je moeder hebben vermoord voor de erfenis en dat jullie een gevaar zijn voor de samenleving. De spoorwegpolitie op het eindstation op de hoofdstad op te wachten!"

Mijn bloed stolde.

"Hij heeft het systeem tegen ons gekeerd..." fluisterde ik.

"Stap uit bij het tussenstation Driebergen," zei Verschueren. "Ik kom jullie daar zelf ophalen met twee vertrouwde rechercheurs. Vertrouw niemand anders!"

Ik wilde haar bedanken, maar op dat moment ging de deur van ons treincoupé open.

Er stapten twee mannen in uniform van de spoorwegpolitie binnen. Ze keken op hun mobiele apparaten en richtten hun blik daarna rechtstreeks op mij en Daniel.

"Laura en Daniel Jansen?" vroeg een van de agenten terwijl hij zijn hand op zijn holster legde. "Blijf zitten waar je zit en steek je handen in de lucht."

Daniel keek me aan met een blik van pure wanhoop.

En de trein reed op volle snelheid door het donkere landschap.