DEEL 5 — “JE MOEDER IS NIET DOOD”
De kelder veranderde in een chaos van geluid.
Schoten.
Geschreeuw.
Voetstappen.
Sanne lag achter het oude bureau terwijl kogels gaten sloegen in de houten kast boven haar hoofd.
Marieke schoot terug.
“BLIJF BENEDEN!”
Sanne klemde het document stevig in haar hand.
LOCATIE: AMSTERDAM — KAMER 317.
ELISE DE VRIES.
Haar moeder.
Levend.
Al die jaren had Sanne geloofd dat haar moeder was overleden.
Ze was twaalf geweest toen het gebeurde.
Ze herinnerde zich de regen die dag.
De zwarte auto voor het huis.
De politieagent die haar vader vertelde dat haar moeder niet meer zou terugkomen.
Daarna had haar vader haar meegenomen naar een andere stad.
Hij had nooit meer over haar gesproken.
Sanne had geleerd om ermee te leven.
Maar nu lag er een document voor haar waarin stond dat haar moeder nog leefde.
“Marieke!”
“Wat?”
“Mijn moeder leeft!”
Marieke keek haar aan.
“Ik weet het.”
“Je wist het?”
“Nee.”
“Maar Joris wist het!”
Marieke schudde haar hoofd.
“Dat wist ik ook niet.”
Een kogel sloeg vlak naast haar hoofd in de muur.
Marieke dook omlaag.
“Daar praten we later over!”
Ze pakte Sanne bij de arm.
“WE MOETEN HIER WEG!”
“Mijn vader!”
Sanne keek naar de trap.
Haar vader was boven gebleven.
“Hij kan zichzelf redden.”
“Je weet dat niet!”
“Jawel.”
“Hoe?”
Marieke keek haar strak aan.
“Omdat hij degene is die mij heeft geleerd hoe ik moet overleven.”
Sanne keek haar verbaasd aan.
“Wat bedoel je?”
Maar Marieke trok haar al naar de andere kant van de kelder.
“Hier!”
Achter een oude kast zat een smalle deur.
Sanne keek ernaar.
“Waar leidt die heen?”
“Geen idee.”
Marieke opende hem.
Een smalle tunnel liep onder het huis door.
Sanne keek naar het donker.
“Je maakt een grapje.”
“Dat hoop ik.”
Ze renden naar binnen.
Achter hen klonken opnieuw schoten.
Toen hoorden ze iemand schreeuwen.
“SANNE!”
Ze herkende de stem.
Haar vader.
Ze draaide zich om.
“Papa!”
Marieke hield haar tegen.
“Niet terug!”
“Hij is daar!”
“Als je teruggaat, sterf je.”
Sanne wilde protesteren.
Toen klonk de stem opnieuw.
“SANNE, GA!”
Ze wist dat hij het meende.
Ze rende verder.
* * *
De tunnel eindigde ongeveer tweehonderd meter verder.
Een metalen luik leidde naar een verlaten opslagruimte.
Marieke duwde het luik open.
Koude nachtlucht stroomde naar binnen.
Sanne kwam overeind.
“Waar zijn we?”
“Geen idee.”
Marieke keek naar haar telefoon.
“Wacht.”
Ze opende een kaart.
“Dit is ongeveer drie kilometer van het huis.”
Sanne keek naar het document.
“Amsterdam.”
“Ja.”
“Hoe komen we daar?”
Marieke keek naar een oude bestelwagen die aan de overkant stond.
“Met geluk.”
“En als we geen geluk hebben?”
Marieke glimlachte flauwtjes.
“Dan moeten we sneller zijn dan zij.”
Ze renden naar de wagen.
De deur stond open.
De sleutels lagen nog in het contact.
Sanne keek verbaasd.
“Dat is te gemakkelijk.”
“Dat dacht ik ook.”
Marieke keek onder de wagen.
Geen bestuurder.
“Ga zitten.”
Sanne stapte in.
De motor startte onmiddellijk.
Ze reden weg.
Nog geen minuut later zag Sanne in de achteruitkijkspiegel twee zwarte auto's uit een zijstraat komen.
“Ze volgen ons.”
Marieke keek in de spiegel.
“Hoeveel?”
“Twee.”
“Dan zijn we niet de enigen die onderweg zijn.”
“Wat bedoel je?”
Marieke wees naar haar telefoon.
Er kwam een bericht binnen.
“Ga naar Amsterdam.”
Sanne keek verbaasd.
“Ze weten dat we onderweg zijn.”
“Ja.”
“Maar waarom sturen ze ons dan?”
Marieke zweeg.
Sanne begon iets te begrijpen.
“Ze willen dat we naar mijn moeder gaan.”
“Ja.”
“Waarom?”
“Omdat ze daar waarschijnlijk ook op wachten.”
Sanne voelde een koude rilling.
“Dan moeten we niet gaan.”
Marieke keek haar aan.
“Waar wil je dan heen?”
Sanne keek naar het document.
“Kamer 317.”
“Dat is precies wat zij willen.”
“Misschien.”
“En toch?”
Sanne knikte.
“Mijn moeder heeft vijftien jaar lang verborgen gezeten.”
Ze keek naar de donkere weg voor hen.
“Als ze werkelijk leeft, wil ik weten waarom.”
* * *
Twee uur later kwamen ze in Amsterdam aan.
Het was bijna middernacht.
De stad was rustiger dan normaal.
Sanne keek uit het raam.
Ze kende Amsterdam goed.
Maar die nacht leek de stad vreemd.
Alsof iedere schaduw iemand kon verbergen.
Het adres op het document leidde naar een oud gebouw vlak bij het centrum.
Geen hotel.
Geen ziekenhuis.
Een voormalig overheidsgebouw.
Op de gevel stond een klein bord:
ARCHIEF EN ADMINISTRATIE.
Marieke keek ernaar.
“Dit is geen gewone plek.”
“Dat weet ik.”
Ze gingen naar binnen.
De receptie was leeg.
Een oude klok tikte boven de balie.
Sanne keek naar de lift.
“Derde verdieping.”
Marieke pakte haar wapen.
“Blijf achter me.”
De lift ging langzaam omhoog.
Verdieping één.
Verdieping twee.
Verdieping drie.
De deuren gingen open.
Een lange gang.
Aan het einde stond:
KAMER 317.
Sanne liep langzaam naar voren.
Marieke keek om zich heen.
“Geen camera's.”
“Dat is vreemd.”
“Of ze zijn verborgen.”
Sanne stopte voor de deur.
Haar hand trilde.
“Wat als ze er werkelijk is?”
Marieke antwoordde:
“Dan zul je eindelijk antwoorden krijgen.”
Sanne klopte.
Geen reactie.
Ze klopte opnieuw.
“Hallo?”
Stilte.
Ze probeerde de deur.
Niet op slot.
De kamer was donker.
Sanne deed het licht aan.
Een stoel.
Een tafel.
Een bed.
Een kast.
Niemand.
Op de tafel lag een oude foto.
Sanne liep ernaartoe.
Ze pakte hem op.
Haar hart stopte bijna.
Op de foto stond haar moeder.
Jong.
Gezond.
En naast haar stond Joris.
Maar dat was niet het vreemdste.
Achter hen stond Victor.
En naast Victor…
stond Hendrik.
Sanne draaide de foto om.
Er stond een boodschap.
“Je bent te laat.”
Marieke keek achter zich.
“Te laat voor wat?”
Plotseling klonk er een geluid vanuit de badkamer.
Sanne draaide zich om.
De deur stond op een kier.
Ze liep ernaartoe.
“Hallo?”
Geen antwoord.
Ze duwde de deur open.
Leeg.
Maar op de spiegel stond met rode lippenstift:
“KIJK IN DE KAST.”
Sanne keek naar de kledingkast.
Ze opende hem.
Er hing slechts één jas.
Een witte jas.
Ze herkende hem.
“Dit…”
Marieke keek naar haar.
“Wat?”
“Deze jas.”
“Van wie?”
Sanne slikte.
“Van de vrouw in de witte jurk.”
Marieke verstijfde.
“De vrouw van de generaal?”
Sanne knikte.
“Ze was hier.”
In de zak van de jas vond Sanne een telefoon.
Het scherm lichtte op.
Eén video.
Ze drukte op afspelen.
Marieke kwam naast haar staan.
Op het scherm verscheen Marieke zelf.
Maar de video was duidelijk jaren oud.
Ze stond in een donkere kamer.
Naast haar stond Joris.
Sanne keek geschokt.
“Wat is dit?”
Op de video zei Joris:
“Marieke, als Sanne dit ooit ziet, betekent het dat jij je belofte hebt gebroken.”
Marieke werd lijkbleek.
Sanne draaide zich naar haar om.
“Welke belofte?”
Marieke keek naar de grond.
“Joris wilde dat ik jou beschermde.”
“Dat weet ik.”
“Nee.”
Ze keek Sanne aan.
“Hij wilde dat ik jou beschermde tegen je eigen moeder.”
Sanne voelde haar keel dichtknijpen.
“Mijn moeder?”
Marieke knikte.
“Joris geloofde dat jouw moeder niet alleen slachtoffer was.”
“Wat was ze dan?”
Marieke antwoordde nauwelijks hoorbaar:
“De leider.”
Sanne deed een stap achteruit.
“Van het netwerk?”
“Ja.”
“Maar waarom zou ze haar eigen dochter achterlaten?”
Marieke keek naar de video.
Joris sprak verder:
“Als Sanne haar moeder vindt, zal ze ontdekken dat alles wat ze over haar jeugd weet een leugen is.”
De video stopte.
Sanne bleef roerloos staan.
Toen hoorde ze achter zich een stem.
“Dat klopt.”
Sanne draaide zich om.
Een vrouw stond in de deuropening.
Grijs haar.
Bleek gezicht.
Een lange donkere jas.
Sanne kende haar gezicht.
Ze had er duizenden keren naar gekeken op oude foto's.
Haar moeder.
Elise.
Sanne kon geen woord uitbrengen.
Elise keek haar aan.
“Je lijkt op je vader.”
Sanne begon te huilen.
“Waarom?”
Elise bleef stil.
“Waarom heb je me laten geloven dat je dood was?”
Elise keek naar Marieke.
“Hoeveel heeft Joris je verteld?”
“Genoeg.”
Elise zuchtte.
“Dan is het te laat.”
Sanne stapte naar voren.
“Waarom?”
“Waarvoor?”
“Waarom heeft Joris mij nooit verteld wie jij was?”
Elise keek haar recht aan.
“Omdat hij wist dat je me zou haten.”
“Misschien had ik het recht om de waarheid te weten.”
“Dat had je.”
“Dus vertel het me!”
Elise keek naar de deur.
Toen naar Marieke.
“Niet hier.”
Sanne pakte haar arm.
“Je gaat nergens heen.”
Elise keek naar haar dochter.
“Ze hebben je gevolgd.”
Marieke draaide zich onmiddellijk om.
Aan het einde van de gang gingen alle lichten tegelijk uit.
Een deur sloeg dicht.
Daarna klonken voetstappen.
Elise fluisterde:
“Ze zijn hier.”
Sanne keek naar haar moeder.
“Wie?”
Elise pakte haar hand.
“De mensen die ervoor hebben gezorgd dat Joris moest verdwijnen.”
“Wie zijn ze?”
Elise keek haar dochter recht in de ogen.
“De mensen die jouw hele leven hebben bestuurd.”
“Wie?”
Elise fluisterde één naam.
“Je vader.”
Sanne verstijfde.
“Mijn vader?”
“Ja.”
“Maar hij heeft mij beschermd.”
Elise schudde haar hoofd.
“Nee.”
Ze keek naar de donkere gang.
“Hij heeft je verborgen.”
“Waarvoor?”
Elise antwoordde:
“Voor mij.”
Op dat moment verscheen er een rood licht onder de deur.
Een laserpunt bewoog over de muur.
Marieke trok haar wapen.
“Sniper.”
Elise trok Sanne naar beneden.
Een fractie van een seconde later explodeerde het raam.
Glas vloog door de kamer.
Sanne viel op de grond.
En terwijl Marieke haar probeerde te beschermen, fluisterde Elise:
“Als je wilt weten wie Joris werkelijk was…”
Ze wees naar de deur.
“…moet je eerst weten wie jij werkelijk bent.”






