Mijn ogen konden niet geloven wat ik zag. De oude man die ik twee dagen geleden wanhopig zijn kleindochter zag omhelzen bij Gate D24, stond levend en wel op het dek van een roestige houten sleepboot. Zijn tweed jas was veruild voor een zware waterdichte schippersjas, maar zijn doordringende, vriendelijke ogen waren onmiskenbaar dezelfde.
"Opa!" schreeuwde Emma.
Het meisje twijfelde geen seconde. Ze rende over de krakende houten steiger en sprong in de armen van de oude man. Willem ving haar op, tilde haar hoog op en kuste haar kletsnatte wangen, terwijl de tranen zich een weg baanden door de rimpels op zijn gezicht.
"Willem?!" pufte ik, terwijl ik mezelf struikelend over de steiger voortbewoog. Mijn enkel was inmiddels zo dik als een tennisbal. "Hoe... hoe is dit mogelijk? Je zou in Canada moeten zijn!"
"Stap in, Sofia! Nu!" riep Willem dringend, terwijl hij Emma op de bank in de stuurhut zette. "We hebben hooguit dertig seconden voordat Van der Meer zijn volk naar buiten stuur!"
Ik sprong op de krakende dekplanken van de boot. Willem gooide de dikke trossen los van de bolder en rende naar de stuurhut. Met een rauw, metaalachtig gehoest kwam de oude scheepsdieselmotor tot leven. Dikke zwarte rookwolken sloegen uit de uitlaatpijp en de boot begon langzaam achteruit weg te draaien van de kade.
Net op dat moment stormden Van der Meer en zijn drie overgebleven huurlingen de deuren van het Beursgebouw uit. Hun gezichten waren rood verbrand door de stoom uit de kelder.
"Schiet!" gilde Van der Meer, zijn stem oversluitend van pure razernij. "Laat die boot niet wegkomen!"
Automatische schoten ratelden over de kade. Kogels sloegen met een dof geluid in de houten opbouw van de sleepboot. Houtsplinters vlogen in het rond. Ik duuk weg op de vloer van de stuurhut en trok Emma strak tegen me aan. Willem bleef echter kaarsrecht aan het stuurwiel staan, zijn blik strak op het open water van het Noordzeekanaal gericht.
"Liegende honden," bromde Willem binnensmonds. He trok aan een zware koperen hendel. De dieselmotor begon woest te trillen en de sleepboot maakte extra vaart, de donkere, golvende rivier op.
De schoten van de kade werden zachter naarmate de afstand groter werd. Het duister van de nacht en de dichte mist over het kanaal opslokten onze boot. We waren ontkomen.
Ik ging met mijn rug tegen de binnenwand van de stuurhut zitten, mijn ademhaling langzaam tot rust latend komen.
"Je hebt me voor de gek gehouden," zei ik tegen Willem, mijn stem een mengeling van verbijstering en opkomende boosheid. "Ik ben mijn baan kwijt! Ik ben neergeschoten, achtervolgd door moordenaars, en jij... jij zat gewoon op een boot!"
Willem keek me aan via de spiegel van het stuurrad. Er lag een diepe, oprechte spijt in zijn blik.
"Het spijt me, Sofia. Meer dan ik met woorden kan zeggen," zei hij zacht. "Maar het was de enige manier. Als ik op die vlucht naar Canada was gestapt, hadden ze me in de lucht of bij aankomst in Toronto vermoord. Richard en Van der Meer hielden mijn telefoon en mijn bankrekeningen al maanden in de gaten."
"Waarom dan dat theater op Schiphol?" vroeg ik.
"Omdat Richard op Schiphol zat," legde Willem uit. "Ik moest hem laten geloven dat ik wanhopig was, dat ik vluchtte. Ik moest het bewijsmateriaal door de beveiliging krijgen. De man die achter mij in de rij stond—die zakenman met het maatpak—was een gecamoufleerde officier van de Koninklijke Marechaussee. Ik heb de harde schijf in zijn tas gestoken tijdens onze 'omhelzing'."
Ik staarde hem aan. "En de elf minuten?"
"De elf minuten waren nodig voor de Marechaussee om het signaal van het bewijs op te pikken en de data veilig te stellen op hun eigen servers," zei Willem. "Maar ik wens niet dat Richard zo snel achter de kluis in de Cacaohaven zou komen. Ik wist dat hij naar jouw Huis zou gaan zodra hij doorkreeg dat ik niet aan boord zat. Ik heb Emma naar jou gestuurd omdat jij de enige persoon op Schiphol was die nog een geweten had."
"Je hebt een achtjarig kind gebruikt als lokvogel!" zei ik boos.
Willem schudde zijn hoofd. "Nee. Emma was de enige die de sleutel van kluis 408 kon dragen zonder dat de scanners van de beveiliging het opmerkten. Het geel plastic beertje is gemaakt van een speciaal polymeer dat röntgenstraling blokkeert. Mijn zoon Joris heeft dat beertje ontworpen toen hij nog bij de Luchtvaartdienst werkte."
Emma reikte naar mijn hand en kneep er zachtjes in. "Opa vertelde me dat jij ons zou redden, Sofia. En dat heb je gedaan."
Ik keek naar het kleine meisje, en mijn boosheid smolt weg als sneeuw voor de zon. Ze had gelijk. We leefden nog.
"En wat nu?" vroeg ik, terwijl ik naar de lederen map keek die ik nog steeds in mijn handen hield. "Van der Meer heeft de macht. Hij heeft de beveiligingsdiensten onder zijn knop."
Willem glimlachte koud en wees naar het horizonlicht voor ons. In de verte doemden de gigantische schijnwerpers en de torens van de Marinebasis in Den Helder op.
"Van der Meer heeft de politie en de luchthavenbeveiliging," zei Willem. "Maar hij heeft de Marine niet. En admiraal De Jong was een persoonlijke vriend van mijn zoon."
Plotseling begon een rood waarschuwingslampje op het dashboard van de sleepboot te knipperen. Een luid piepend geluid vulde de stuurhut.
Willem keek naar het radarscherm en zijn gezicht werd doodbleek.
"Wat is er?" vroeg ik.
"Een snelle aanvalsboot van de Kustwacht," zei Willem met schorre stem. "Ze varen met veertig knopen op ons af. En Van der Meer zit aan het roer."






