De spanning op de vluchtstrook van de A9 was om te snijden. Het voorbijrazende verkeer bracht de auto lichtjes aan het schommelen, maar binnen in onze wagen heerste een dodelijke stilte. De jonge marine-chauffeur hield zijn hand strak op de kolf van zijn pistool, zijn knokkels wit van de spanning. He wendde zijn blik geen seconde af van Agent Vance.
"Sofia," fluisterde Willem vanaf de voorstoel, zonder zijn hoofd te draaien. "Ze liegt niet over de code. Joris was een wiskundig genie. He vertrouwde nooit op fysieke dragers alleen. He heeft een tweede beveiligingslaag ingebouwd die alleen ontgrendeld kan worden met een specifieke combinatie van data."
"En Emma weet die combinatie?" fluisterde ik terug.
"Ze kent het liedje dat Joris voor haar zong voor het slapengaan," zei Willem zacht. "Het liedje is opgebouwd uit een getallenreeks. Maar als dit internationale netwerk die code in handen krijgt, kunnen ze de hele database wissen en verdwijnen alle sporen voorgoed."
Agent Vance keek op haar horloge. "U heeft nog dertig seconden, Sofia. Mijn mensen hebben de zenders van de verkeerscamera's op dit traject uitgeschakeld. Voor de buitenwereld staat u hier gewoon met pech langs de weg."
Ik keek naar Emma. Het kleine meisje zat doodstil naast me. Ze huilde niet meer. De afgelopen dagen hadden haar veranderd; het kleine, schrikachtige kind van Gate D24 was veranderd in een vastberaden overlever.
"Sofia," fluisterde Emma heel zachtjes in mijn oor. "Het liedje van papa gaat over de sterren bij het strand."
Een herinnering flitste door mijn hoofd. Willem had me in de kelder van de Cacaohaven verteld over de oude vuurtoren bij Zandvoort, de plek waar Joris als kind zomers doorbracht en waar de familie een klein zomerhuisje bezat.
"Chauffeur," zei ik heel zacht tegen de marine-officier. "Wanneer ik het zeg, geef je vol gas. Rijd om die bus heen."
"Mevrouw, dat is gekkenwerk," fluisterde de sergeant terug. "Ze schieten de banden lek!"
"Ze gaan niet schieten zolang Emma in de auto zit," zei ik met een absolute overtuiging. "Zij hebben de code nodig. Zonder Emma hebben ze niets."
Agent Vance deed een stap naar voren en reikte naar de handgreep van het achterportier. "Tijd is om, Sofia."
"NU!" schreeuwde ik.
De marine-chauffeur aarzelde geen seconde meer. He vloerde het gaspedaal. De zware motor van de overheidssedan brulde op. De achterbanden rookten over het natte asfalt toen de wagen met een woeste ruk achteruit reed, de vluchtstrook af en recht de middelste rijstrook van de snelweg op.
Agent Vance moest terauw springen om niet te worden geschept door de uitzwaaiende achterkant van de auto.
Toeterende vrachtwagens en remmende auto's veroorzaakten een chaotische kettingreactie achter ons. De chauffeur gooide het stuur om, schakelde naar de voorwaartse versnelling en ramde de wagen langs de linkerzijde van de grijze bestelbus. De spiegel van onze wagen vloog in honderd stukken uit elkaar toen we de flank van de bus schampten, maar we braken door de blokkade heen.
"Houd je vast!" riep de chauffeur.
We raceten met honderdzestig kilometer per uur over de A9, de afslag naar Zandvoort nemend. In de achteruitkijkspiegel zag ik de twee zwarte terreinwagens van Vance direct de achtervolging inzetten. Ze bewogen zich met de agressie van roofdieren door het verkeer.
"Waar gaan we heen?!" riep de chauffeur, terwijl hij de auto over de kronkelende provinciale weg door de duinen jroeg.
"Naar de Vuurtoren van Zandvoort!" antwoordde Willem. "Daar staat de oude zender van de Reddingsbrigade! Als we de code daar invoeren op het frequentienetwerk van de Kustwacht, wordt de data direct geüpload naar de centrale servers van de Verenigde Naties! Dan kan niemand het meer wissen!"
De regen begon weer met bakken uit de hemel te vallen. De ruitenwissers sloegen op hun hoogste stand, maar de duinen waren gehuld in een dichte, grijze nevel.
Achter ons kwamen de terreinwagens steeds dichterbij. Een van de wagens ramde de achterbumper van onze sedan. De schok ging door het hele chassis. Emma gilde het uit.
"Ze proberen ons van de weg te drukken!" schreeuwde de chauffeur.
"De afslag bij de boulevard!" riep ik. "Daar is het!"
Onze auto vloog over de drempel van de boulevard. Het roestige silhouet van de hoge, rode vuurtoren van Zandvoort doemde op uit de mist, als een eenzame wachter aan de rand van de kolkende, zwarte Noordzee.
De chauffeur trapte hard op de rem. De auto slipte over het natte helmgras en kwam met een harde klap tot stilstand tegen de houten omheining van het vuurtorenterrein.
De motor sloeg af. Dikke witte stoom steeg op onder de motorkap vandaan.
De twee zwarte terreinwagens van Vance blokkeerden direct de uitgang van het terrein.
We zaten klem aan de rand van de kust.






