De knal van het schot weergalmde als een donderslag door de gigantische opslagloods. Het geluid was verdovend. Een vonkenregen spatte af van de dikke stalen kabel boven ons hoofd, en met een krijsend geluid van verwrongen metaal bewoog de overspanning van de kraanbaan een halve meter omlaag. De hele constructie begon te trillen.
"Vastgrijpen!" gilde ik tegen Emma.
Het meisje klemde haar armen strak om een van de verticale steunbalken. Ik greep haar jasje vast met mijn linkerhand, terwijl mijn voeten over de gladde ijzeren staven gleden. Beneden ons keek Richard koud omhoog, terwijl hij het magazijn van zijn wapen verving. De twee andere mannen snelden toe via de zijgangen om de trappen aan het uiteinde van de traverse te blokkeren.
We konden niet meer terug. De enige weg was vooruit, naar het hoge dakraam aan het einde van de kraanbaan.
"Doorlopen, Emma! Niet naar beneden kijken!" schreeuwde ik boven het gekraak van het metaal uit.
We rennen—voor zover dat mogelijk was met mijn gewonde enkel—over de smalle stalen balken. Het stalen frame boog gevaarlijk door onder ons gewicht en de spanning van de beschadigde kabels. Acheter ons klonk het tweede schot van Richard. De kogel ketste met een hoog gepiep af op het stalen vakwerk vlak naast mijn voet.
We bereikten de kleine onderhoudscabine aan het einde van de kraan. Het raam hier was opgewerkt met verweerd hout en matglas, net groot genoeg voor een volwassene om doorheen te kruipen. Met mijn elleboog sloeg ik het glas kapot. De scherpe scherven vlogen naar buiten, de diepte in.
"Eerst jij, Emma!" zei ik.
Ik tilde het meisje op en duwde haar voorzichtig door de opening. Ze klom behendig op de dakgoot aan de buitenkant van het gebouw. Net toen ik mijn been over de raamstijl wou zwaaien, voelde ik een zware, ijzeren greep rond mijn rechterenkel.
Ik schreeuwde het uit van de pijn toen Richard me met een woeste ruk achterover trok. Ik viel hard op de vloer van de kraancabine. Mijn achterhoofd smakte tegen het stalen pedaal van de kraanbediening. Zwarte vlekken dansden voor mijn ogen.
Richard stond boven me. Zijn kleren waren besmeurd met roet en regen, zijn ogen stonden wild en ongecontroleerd.
"Je had gewoon je werk moeten doen, Sofia," hijgde hij, terwijl hij met de loop van zijn pistool tegen mijn voorhoofd duwde. Het metaal voelde ijskoud aan. "Je had die deur op Gate D24 moeten sluiten. Elf minuten! Elf minuten vertraging en Willem wist de USB-stick door de beveiliging te loodsen via een diplomatieke koerier die op dezelfde vlucht zat! Dat was zijn hele plan!"
Mijn hoofd tolde van de klap, maar zijn woorden drongen langzaam tot me door. Willem had het grondpersoneel niet alleen afgeleid met een emotioneel afscheid. Het was een afleidingsmanoeuvre geweest om een vertrouweling de tijd te geven om met de echte bewijzen aan boord te stappen. Maar het belangrijkste onderdeel van de puzel—de sleutel en de USB-stick—had hij bij Emma gelaten.
"Waarom... waarom de vader van Emma?" bracht ik er stammerend uit, terwijl ik het bloed in mijn mond proefde.
Richard glimlachte koud. "Joris? Omdat Joris erachter kwam hoe wij de vrachtmanifesten van Schiphol veranderden voor de illegale diplomatieke vluchten van de cartelgroepen. Vlucht KL691 twaalf jaar geleden droeg niet alleen passagiers, Sofia. Het droeg tachtig kilo onverwerkt plutonium en tweehonderd miljoen aan illegaal geld. Joris wilde naar de Marechaussee stappen. Hij dacht dat hij een held was."
"En jij hebt hem vermoord..." fluisterde ik.
"Ik heb gedaan wat nodig was voor mijn overleven!" schreeuwde Richard. "En nu ga jij me die sleutel geven!"
Hij boog zich voorover om mijn zakken te doorzoeken. Dat was de fout waarop ik had gewacht.
Met alle kracht die ik in mijn lichaam overhad, trok ik mijn gezonde rechterbeen op en schopte met volle kracht tegen zijn knieschijf. Een luid kraakgeluid klonk door de kleine cabine. Richard slaagde een rauwe schreeuw van pijn uit en verloor zijn evenwicht. Hij struikelde achterover, over de lage rand van de cabine.
Zijn handen grepen wild om zich heen naar houvast, maar de gladde stalen balken boden geen grip. Met een ijswekkende schreeuw viel hij tientallen meters naar beneden, tussen de opgestapelde houten kratten en betonblokken van de loodsvloer.
Daarna werd het doodstil in de grote hal.
Ik bleef een paar seconden op de rug liggen, naar het plafond staarend, terwijl het zweet me uitbrak. Mijn ademhaling kwam in schokkende teugen. Maar ik wens me geen rust. De twee handlangers van Richard waren onderweg naar boven.
Ik meanderde over de vloer, klom door het kapotte dakraam en kwam op het natte dak van de loods terecht. Emma zat op haar knieën in de regen te wachten, met het gele beertje strak onder haar arm geklemd.
"Sofia!" roepte ze wanhopig.
"Ik ben hier, schat," pufte ik. Ik pakte haar hand vast. "We moeten nu naar het centrum. Naar de Bank van de Cacaohaven."
We gleden van het schuine dak af via een oude bliksemafleider en kwamen terecht op een smal pad langs het kanaal. Achter ons hoorden we het roepen van de mannen in de loods, maar de duisternis en de toenemende storm over het Noordzeekanaal boden ons de dekking die we zo hard nodig hadden.
We renden door de stromende regen richting de oude havens. Mijn sokken waren inmiddels helemaal doorgesleten, mijn voeten bloedden en mijn kleren waren kletsnat. Maar in mijn zak voelde ik de harde contour van de roestige sleutel en de zilveren USB-stick.
Voor ons doemde het massieve, donkere silhouet op van het oude Beursgebouw aan de Cacaohaven. Een gebouw dat al twintig jaar leegstond, overwoekerd met klimop en omsloten door hoge ijzeren hekken.
Daar lag het antwoord op twaalf jaar van leugens.






