Een week later vond de buitengewone aandeelhoudersvergadering plaats van het familiebedrijf De Witt & Zonen in het oude stadhuis van Deventer. De spanning in de historische raadszaal was te snijden. Alle directe neven, nichten, corrupte commissarissen en advocaatjes van de familie zaten rond de lange mahoniehouten tafel. Ze keken me aan met een mengeling van minachting en doodsangst, wetende dat ik nu de grootste aandeelhouder en eigenaar was van het concern.
De deuren van de raadszaal zwaaide open en tot ieders verbazing liep meester Van der Linden binnen, gevolgd door een man in een eenvoudige vissersjas met een litteken op zijn gezicht. Het was Pieter.
Een Luide kreet van ongeloof ging op door de zaal. Vrouwen sloegen hun handen voor hun mond, mannen sprongen overeind uit hun stoelen alsof ze een geest zagen.
"Goedendag, familie," zei Pieter met een kalme, ijzige stem die door de hele zaal galmde. "Het schijn dat mijn begrafenis destijds iets voorbarig is geweest."
De chaos die direct daarna losbrak, was niet te beschrijven. Mensen schreeuwden door elkaar, accusing fingers werden uitgestoken naar de lege stoel van Rutger, en de commissarissen probeerden paniekerig de zaal te verlaten. Maar de deuren werden geblokkeerd door de politieagenten die op verzoek van de notaris aanwezig waren.
Ik stond op aan het hoofd van de tafel, mijn rode mantel over de stoelrug gedrapeerd. Ik sloeg met mijn hand op het hout om de stilte terug te winnen.
"De sprookjes zijn voorbij," zei ik luid en helder. "De oude orde is gevallen. Vanaf vandaag wordt het bedrijf geleid onder een nieuw bewind, of het wordt ontmanteld tot de laatste steen."
Pieter ging naast me zitten en legde een dik dossier neer op tafel: het volledige bewijs van de fraude, de moordpoging van twintig jaar geleden, en de brandstichting door Rutger. De ondergang van de familie De Witt was definitief ingezet, maar uit de as zou iets brandschons herrijzen.






