De dagen na de brand verbleef ik in het verlaten kantoor van de notaris, omdat mijn eigen huis in as was gelegd. Meester Van der Linden had me onderdak geboden in de gastenkamer boven zijn praktijk. Samen bestudeerden we het dossier over Pieter dat we uit de brand hadden gered, net voordat de vlammen het hoofdhuis volledig verwoestten.
Het dossier bevatte bankafschriften van tien jaar geleden, waaruit bleek dat er regelmatig grote sommen geld werden overgemaakt naar een anonieme rekening in een klein vissersdorp aan de Friese kust: Hindeloopen. De afzender van die betalingen was niet Rutger, maar Helena zelf. De oude vrouw had haar oudste zoon dus al die tijd financieel ondersteund, in het diepste geheim, terwijl de rest van de familie dacht dat hij al lang op de bodem van het IJsselmeer lag.
"Waarom zou Helena haar eigen zoon dood laten lijken?" vroeg ik hardop terwijl ik naar de kaart van Friesland staarde die op de tafel lag uitgespreid.
"Om hem te beschermen," antwoordde meester Van der Linden ernstig. "Of om zichzelf te beschermen tegen wat Pieter wist. Jongere broers kunnen gevaarlijk zijn als ze de macht willen overnemen, maar oudste zonen die opstandig worden, zijn een bedreiging voor het hele imperium."
Diezelfde middag nog besloot ik om naar Hindeloopen te rijden. Ik moest weten of Pieter nog leefde. Ik moest weten of de woorden van Rutger in de ambulance een koortsdroom waren of een ijzingwekkende werkelijkheid.
De rit naar Friesland voerde over de uitgestrekte dijken waar de wind vrij spel had. Het water van het IJsselmeer lag er grauw en dreigend bij onder een loden hemel. Aangekomen in het pittoreske havenstadje zocht ik naar het adres dat op een van de oude bankafschriften stond: een klein, vervallen vissershuisje aan de rand van de dijk, met uitzicht op het open water.
De deur van het huisje stond op een kier. De wind duwde hem langzaam verder open met een krakend geluid. Ik stapte naar binnen, mijn hand in de zak van mijn jas om de autosleutel als verdedigingsmiddel vast te houden. De lucht binnen rook naar tabak, oude boeken en zilte zee.
In de woonkamer brandde een klein haardvuur. Aan de wand hingen oude foto's van zeilboten en jonge mannen die lachten naar de camera. Een van hen was onmiskenbaar Pieter de Witt: dezelfde scherpe jukbeenderen als Rutger, maar met een blik in zijn ogen die veel intelligenter en meedogenlozer was.
"Je bent laat," klonk er opeens een stem vanuit de donkere hoek van de kamer.
Ik schrok me kapot en draaide me met een ruk om. Uit de schaduw van de boekenkast stapte een man te voorschijn. Hij droeg een dikke wollen trui en een vissersmuts. Zijn gezicht zat vol littekens, en zijn linkerarm hing slap langs zijn lichaam, alsof hij ooit een zwaar letsel had opgelopen. Maar zijn ogen... zijn ogen waren glashelder en staarden me doordringend aan.
"Pieter?" bracht ik uit, mijn adem stokkend in mijn keel.
De man glimlachte bitter. "Nee, niet Pieter. Pieter is twintig jaar geleden gestorven, op de dag dat zijn eigen broer zijn zeilboot liet zinken met een hydraulische boor in de romp. Ik ben degene die overbleef toen ik besloot om de identiteit van een drenkeling aan te nemen om aan de moordzucht van mijn familie te ontsnappen."
Hij stapte naar voren en keerde me de rug toe, uitkijkend over het water. "En jij bent de vrouw die het lef had om in het rood naar de begrafenis van onze moeder te komen. Ik heb je gezien vanaf de dijk. Je hebt meer pit dan alle De Witts bij elkaar opgeteld."






