De rit naar het buitenhuis aan het meer voelde als een helse nachtmerrie. De regendruppels spatten in wilde strepen uiteen op de voorruit terwijl ik het gaspedaal diep intrapte, de motor van mijn auto loeiend in de donkere nacht. De rookpluimen waren in de verte al zichtbaar, een smerige, oranje gloed die de hemel boven het water van zijn normale duisternis beroofde. Toen ik de oprijlaan opdraaide, zag ik het: het historische pand, de trots van de familie De Witt, stond aan twee kanten in lichterlaaie. Rode vlammen likten gulzige tongen uit de goten, en het geknetter van hout en glas klonk als een kakofonie van vernietiging.
Brandweerwagens stonden verspreid over het grind, hun blauwe zwaailichten werpen koortsachtige flitsen op de natte bomen. Ik sprong uit de auto en rende naar de politiecoördinator toe, die met een radio in zijn hand orders stond uit te schrijven.
"Wie heeft dit gedaan?" schreeuwde ik boven het lawaai van de sirenes en de spuitende brandslangen uit. "Was er iemand binnen?"
De agent, een norse man met een regencape aan, hield me tegen bij het afzetlint. "Mevrouw De Witt? Rustig aan. Volgens de eerste meldingen was het alarmsysteem uitgeschakeld vanaf een hoofdpaneel binnen. Dat suggereert dat iemand met sleutels of een toegangscode binnen is gekomen. En ja... er was iemand in het pand toen de brand uitbrak."
Mijn hart sloeg een slag over. "Wie?"
"Uw echtgenoot, meneer Rutger de Witt," zei de agent droog. "Onze mensen vonden hem bewusteloos in de bibliotheek op de benedenverdieping, ingesloten door vallende boekenrekken. Hij is met spoed afgevoerd naar het St. Geertruid Ziekenhuis in Deventer. Zijn toestand is kritiek; hij heeft zware rookvergiftiging opgelopen."
Ik staarde naar het brandende huis. De vlammen slokten de eeuwenoude bibliotheek op, precies de plek waar de persoonlijke papieren van de familie lagen opgeslagen. Was dit toeval? Of had Rutger geprobeerd om de bewijzen van het verleden – de vervalste handtekeningen, de brieven over zijn broer Pieter – voorgoed te verbranden, om vervolgens zelf in de val te lopen toen het vuur zich te snel verspreidde?
De gedachte schoot door me heen als een elektrische schok. Rutger was niet zomaar een lafaard; hij was wanhopig. Hij wist dat ik naar de notaris was gegaan. Hij wist dat het spel uit was. Dit was geen ongeluk; dit was een mislukte poging tot brandstichting om alle sporen van zijn wandaden uit te wissen, met zijn eigen leven als inzet.
Diezelfde nacht zat ik op een harde stoel in de gang van het ziekenhuis. De geur van jodium en sterilisatiemiddel hing zwaar in de lucht. Na uren van wachten kwam de arts uit de intensive care gelopen, zijn gezicht vermoeid en ernstig.
"Mevrouw De Witt?" vroeg hij. "U bent de echtgenote?"
"Ja," antwoordde ik, terwijl ik opstond. "Hoe is het met hem?"
"Hij is buiten levensgevaar, maar hij ligt in een diepe coma door de rookinademing. Het is nog te vroeg om te zeggen of er hersenbeschadiging is opgelopen door het zuurstoftekort. Maar er is iets anders... iets dat u moet weten." De arts aarzelde even, alsof hij zijn woorden zorgvuldig wilde kiezen. "Voordat hij bewusteloos raakte in de ambulance, heeft hij iets gefluisterd tegen de verpleegkundige. Hij dacht blijkbaar dat hij met iemand anders sprak."
"Wat zei hij?" vroeg ik, mijn nagels in mijn handpalmen graverend.
"Hij zei: 'Ze weet het. Ze heeft het dossier. Niet openen... hij leeft nog.'"
De woorden galmden na in mijn hoofd. Hij leeft nog. Wie leefde er nog? Had Rutger het over zijn broer Pieter, van wie al twintig jaar werd aangenomen dat hij verdronken was op het IJsselmeer? Was de dood van Pieter in scène gezet door Rutger zelf, en was Pieter ergens ondergedoken om wraak te nemen op de familie?
De wereld om me heen leek in te storten. De rode jurk die ik op de begrafenis droeg, voelde ineens niet meer als een teken van triomf, maar als een doelwit op mijn rug.






