De Schaduw van Sint-Ignatius
News Story

De Schaduw van Sint-Ignatius

10 weergaven

deel 5: De Vlucht naar de Kapel

De wenteltrap spiraalde duizelingwekkend naar beneden, omgeven door kille stenen muren die naar kelder en vochtigheid roken. Elke stap dreunde na in mijn oren, vermengd met het geluid van zware voetstappen die mij op de hielen zaten. Boven me hoorde ik geschreeuw en het ratelen van zaklampen die de trap afschijnden. "Ze is die kant op! Houd haar tegen!" korde de stem van de beveiliger, scherp en dreigend.

Ik wist dat de uitgang naar de hoofdwegen hermetisch zou zijn afgesloten; Sophie en het bestuur zouden geen risico nemen dat ik het terrein zou verlaten met de dagboeken van mijn moeder in mijn bezit. Mijn enige redding lag in de laatste regel van mijn moeders dagboek: 'Zoek in de kelder onder de kapel.' Het Sint-Ignatius College bezat een eeuwenoude kapel die dateerde uit de negentiende eeuw, lang voordat de moderne vleugels waren aangebouwd. Vroeger deed die dienst als gebedsruimte voor de rijke elite, maar tegenwoordig werd hij alleen nog gebruikt voor officiële alumni-diners en ceremoniële bijeenkomsten.

Toen ik onderaan de trap aankwam, stiet ik tegen een zware klapdeur die direct uitkwam op de ondergrondse gangen van het complex. Het was er pikkedonker. Ik klikte mijn zaklamp aan en zag dat de gangen hier een heel andere structuur hadden dan de rest van de school; dit waren oude funderingsbogen van baksteen, bedekt met een dikke laag kalk en natte moffen.

Het water droop ritmisch van het plafond. Achter me hoorde ik de deur van de trap openvliegen. De lichtbundels van de beveiligers sneden door de duisternis als zoeklichten. "Daar! Ze rent naar de oude kelder!" roept een van hen. Ik zette het op een lopen, mijn adem snakte naar zuurstof in de bedompte kelderlucht, mijn benen voelden als lood. Ik moest de kapel bereiken voordat ze me insloten.

Na wat een eeuw leek, bereikte ik een zware, ijzeren deur met een groot gietijzeren kruis erop. De deur van de kapelkelder. Ik gooide al mijn gewicht tegen de deur, maar hij zat muurvast. Met een wanhopige kreet trok ik aan de hendel, en plotseling, met een scheurende roestkrak, gaf het slot mee en viel ik naar binnen, net op het moment dat de zaklampen van de beveiligers op de muur achter me schijnen. Ik rolde over de stenen vloer, trok de deur achter me dicht en schoof de massieve, antieke grendel in het slot. Bemachtigde stilte viel in de kelder, slechts doorbroken door mijn eigen wilde ademhaling en het gerammel van de beveiligers aan de buitenzijde van de deur.