Deel 3: De vlucht door de stegen
Mijn hart sloeg een slag over. Mijn vingers klemden zich zo hard om het zwarte doosje dat de randen van het doosje in mijn handpalmen sneden. De man in het grijze pak deed een stap naar voren. Zijn bewegingen waren beheerst, bijna mechanisch, zoals een roofdier dat precies weet dat zijn prooi nergens heen kan.
"Evelyn," zei de tweede man, die achter de eerste bleef staan en zijn hand nonchalant in de binnenzak van zijn colbert stak. "Laten we dit niet ingewikkelder maken dan het al is. Dat doosje bevat eigendom van de overheid. Het is een misdrijf om het in je bezit te hebben."
Jett zette een stap achteruit, weg van mij. Hij hief zijn handen op in de lucht. "Ik heb hier niets mee te maken!" riep hij met een overslaande stem. "Zij heeft het! Ik heb haar alleen gebeld zoals jullie vroegen!"
Mijn maag draaide om. Jett had me niet gebeld om me te helpen. Hij had me in de val gelokt. Hij had me laten komen zodat deze mannen het doosje van me konden afnemen. De vierhonderd dollar die hij me gisteravond had afgeperst was waarschijnlijk niet eens een kwestie van restaurantbeleid geweest; hij was gewoon een angstige lafbek die zichzelf probeerde te redden.
"Je hebt het doosje toch niet opengemaakt, wel Evelyn?" vroeg de voorste man. Hij kwam langzaam dichterbij. Hij was nu op minder dan vijf meter afstand. Ik kon het glimmende speldje op de lapel van zijn pak zien: een zilveren symbool van twee gekruiste sleutels boven een adelaar.
"Blijf waar je bent!" schreeuwde ik.
Ik dacht geen seconde langer na. Mijn overlevingsinstinct nam het over van de verlammende angst. Met een snelle beweging pakte ik een zware, glazen waterkan die op de receptiebalie stond en gooide die met alle kracht die ik in me had naar de voorste man.
De kan raakte hem vol op zijn borst en spatte in honderden scherven uiteen. Het ijskoude water en het glas veroorzaakten net genoeg verwarring. De man vloekte en zette een stap terug om de scherven te ontwijken.
Dat was mijn enige kans.
Ik keerde me om en rende zo hard als ik kon richting de keuken.
"Pak haar!" hoorde ik de stem achter me brullen, gevolgd door het geluid van omvallende tafels en brekend serviesgoed.
Ik stormde door de klapdeuren van de keuken. De kok, die net bezig was met het voorbereiden van de snijplanken, keek geschokt op. "Evelyn? Wat is er—"
"Ga aan de kant!" schreeuwde ik terwijl ik langs hem heen glipte. Ik stootte tegen een metalen werktafel, waardoor een stapel roestvrijstalen schalen kletterend op de tegelvloer viel. Het lawaai was oorverdovend, maar het gaf me weer een paar seconden voorsprong.
Aan het einde van de lange keukengang was de zware, stalen nooddeur die uitkwam op de steeg achter het restaurant. Ik duwde de paniekbalk met mijn volle gewicht in. De deur zwaaide met een luide knal open en de snijdende, koude ochtendlucht sloeg in mijn gezicht.
Ik sprong naar buiten, de steeg in.
De steeg was smal, klam en rook naar oud vuilnis en nat asfalt. Links liep de steeg dood tegen een hoge bakstenen muur. Rechts leidde de steeg naar de drukke winkelstraat. Zonder te aarzelen rende ik naar rechts.
Achter me hoorde ik de stalen nooddeur opnieuw opeenslaan.
"Evelyn! Stop! Je maakt een enorme fout!" schreeuwde een van de mannen.
Ik keek niet om. Ik snelde de hoek om, de straat op. Het was vroeg in de ochtend, rond zeven uur. De straat was nog halfleeg; er reden een paar auto's en er liepen enkele forenzen gehaast naar het metrostation. Ik mengde me tussen de mensen, stak mijn armen strak over elkaar en verborg het zwarte doosje en het briefje onder mijn dikke winterjas.
Mijn ademhaling was wolkjes stoom in de koude lucht. Mijn hart beukte tegen mijn ribben als een gevangen vogel. Ik keek vluchtig achterom. Een van de mannen in het grijze pak kwam net de steeg uit rennen. Hij keek wild om zich heen, zijn blik scande de straat.
Ik dook snel een klein, donker koffietentje in waarvan de deur net van het slot werd gedaan door een slaperige barista.
"Goedemorgen, we zijn eigenlijk pas over tien minuten—" begon de jongen achter de balie.
"Alsjeblieft," fluisterde ik, terwijl ik achter een hoge scheidingswand bij de toiletten dook. "Laat me hier heel even staan."
De barista keek me verbaasd aan, maar voordat hij iets kon zeggen, zag hij door het raam de man in het grijze pak voorbijrennen. De man keek vluchtig naar binnen, maar zag mij niet door de getinte ruiten en de scheidingswand, en rende snel door richting het metrostation.
Ik zakte langzaam door mijn hoeven tegen de muur van de gang. Mijn benen trilden zo erg dat ik nauwelijks kon blijven staan.
Wat was dit? Wie waren die mannen? En waarom was de inhoud van een simpel USB-stickje zo belangrijk dat mensen van een schijnbaar geheime dienst mij door de stad opjoegen?
Ik pakte de USB-stick uit het fluwelen doosje en staarde er naar. Het zilveren metaal glom in het zwakke licht van de gang. Mijn vaders dood... drievoudig gecontroleerd door de autoriteiten, afgedaan als een 'spijtig industrieel ongeval'. Mijn moeder was er kapot van gegaan. Ze was na zijn dood nooit meer de oude geworden. Als mijn vader was vermoord... waarom? Wat had hij ontdekt?
Het antwoord lag binnen mijn handbereik. Maar de waarschuwing op het briefje brandde in mijn geheugen: Steek de USB-stick in geen enkel apparaat dat verbonden is met het internet. Als je dat wel doet, vinden ZE je binnen drie minuten.
Ik moest een computer vinden die offline was. Een oude laptop, iets zonder wifi, iets wat niet getraceerd kon worden.
Ik dacht aan mijn studeerkamer in mijn kleine appartement. Ik had daar nog een oude, afgedankte laptop liggen waarvan de wificard jaren geleden al kapot was gegaan. Het ding werkte alleen nog als je er een ethernetkabel in stak. Het was perfect.
Maar kon ik wel naar mijn appartement? Jett had gezegd dat die mannen mijn adres wisten. Als ze mijn huis al in de gaten hielden, zou ik recht in hun armen lopen.
Ik keek op mijn horloge. Het was pas 07:35 uur. Ik had tot 23:00 uur vanavond voor de afspraak bij de oude steiger. Dat betekende dat ik meer dan vijftien uur had om uit te zoeken wat er op deze stick stond en om een plan te maken.
Ik bedankte de verbaasde barista met een klein knikje en glipte via de zijuitgang van het koffietentje naar buiten. Ik vermeed de hoofdstraten en bleef in de smalle stegen van de binnenstad. Bij een openbare telefooncel – een van de weinige die nog werkte – stopte ik een paar munten in het apparaat.
Ik toetster het nummer van mijn beste vriendin en studiegenoot, Maya.
Na vier keer overgaan nam ze op met een schorre, slaperige stem. "Hallo?"
"Maya, ik ben het. Evelyn," zei ik gehaast.
"Evelyn? Waarom bel je met een vast nummer? Wat is er aan de hand? Je klinkt alsof je bent overvallen."
"Maya, luister heel goed naar me," fluisterde ik, terwijl ik voortdurend de straat afspeurde. "Ik heb je hulp nodig. Maar je mag aan niemand vertellen dat ik je heb gebeld. En je mag mijn mobiele telefoon niet bellen."
"Evelyn, je maakt me bang. Wat is er gebeurd?"
"Kun je naar de stadsbibliotheek komen? De oude studiezaal op de derde verdieping. Neem je oude, zwarte Dell-laptop mee. Die zonder batterij die alleen op de lader werkt. En breng een schone USB-drive mee."
"Waarom? Evelyn, wat is er gisteravond gebeurd bij dat restaurant?"
"Dat vertel ik je zo. Alsjeblieft Maya. Vertrouw me."
Er viel een korte stilte aan de andere kant van de lijn. "Oké. Ik ben er over drie kwartier."
Ik hing de hoorn op en stapte de telefooncel uit. Maar op het moment dat ik de straat weer op stapte, voelde ik een vreemde tinteling in de lucht. Een zwart busje met geblindeerde ramen reed langzaam, stapvoets, de straat in. De snelheid waarmee het busje reed passte totaal niet bij het overige verkeer.
Het busje stopte precies tegenover de telefooncel.
De schuifdeur van het busje ging met een hard gekras open. Binnenin zat een man met een headset op zijn hoofd en een geavanceerd scherm op zijn schoot. Naast hem zat een van de mannen uit het restaurant.
Hij keek me recht aan, glimlachte koud en zei door een megageraat: "Evelyn. Je dacht toch niet echt dat we openbare telefooncellen niet meer in de gaten houden?"
Mijn bloed stroomde als ijs door mijn aderen. Ik maakte dat ik wegkwam.






