DEEL 11: DE SCHADUW AAN DE VOORDEUR
De notitie in het trouwalbum bleef als een giftige doorn in Sophie’s gedachten steken. Dagenlang probeerde ze het van zich af te zetten, redenerend dat Lisa simpelweg blufde uit pure wanhoop. Wat kon Lisa haar immers nog maken? Haar familie was blut, haar sociale status lag aan digen, en haar naam was door het slijk gehaald in alle landelijke kranten. Lisa was een machteloze tijger zonder klauwen geworden.
Toch kon Sophie de drukkende, knagende onrust niet van zich afschudden. Ze merkte dat ze vaker over haar schouder keek als over straat liep, dat ze de sloten van het appartement dubbel controleerde, en dat elke onbekende auto die in de straat parkeerde haar een onbehagelijk gevoel gaf. Ze besloot David aanvankelijk niets te vertellen; ze wilde hem niet belasten met haar paranoïde angsten, vooral nu ze samen zo hard werkten aan een nieuwe start.
Het was een donderdagavond toen het onvermijdelijke gebeurde. David was laat vanwege een spoedvergadering met zijn accountants om de laatste restanten van het oude contract juridisch af te wikkelen. Sophie zat aan de eettafel met haar laptop open, bezig met de afronding van een stuk dat ze voor een literair tijdschrift schreef. De stad buiten was stil, op het monotone geruis van de regen na.
Plotseling klonk er een zacht, ritmisch geluid bij de voordeur.
Sophie hield haar adem in en spitste haar oren. Het was geen harde klop of een dringende bel; het was het geluid van nagels die zachtjes over het hout krasten, gevolgd door een bijna onmerkbare tik tegen het glas van de gangdeur.
Haar hart sloeg een beat over. Ze duwde haar stoel achteruit, de houten poten schuurden luid over de vloer, en ze liep op fluwelen stappen naar de gang. Het hele appartement baadde in het zwakke licht van de straatlantaarns buiten. Ze naderde de voordeur en keek door het kleine judasje naar buiten.
In het donkere, lege portiek stond een gestalte.
De persoon droogde een zwarte regenjas met capuchon die diep over het gezicht was getrokken. Maar door de bolling van het glas heen kon Sophie de contouren van het gezicht onderscheiden. Het bleke gelaat, de strakke, uitgestreken lippen, en die doordringende, haatdragende ogen.
Lisa.
Sophie voelde de schrik door haar keel omhoogkomen. Ze wilde schreeuwen, ze wilde naar haar telefoon grijpen om David of de politie te bellen, maar haar benen leken aan de vloer genageld.
Buiten hief Lisa langzaam haar hand op. In haar hand hield ze geen wapen, geen steen, maar iets veel griezeligers: een oude, ingelijste foto van Sophie en Lisa samen uit hun middelbareschooltijd, waarop iemands gezicht met zwarte inkt was doorgestrast. En toen, met een griezelige, mechanische precisie, drukte Lisa haar smartphone tegen het glas van het judasje. Het scherm lichtte fel op.
Er verscheen één enkel tekstbericht op het scherm van Lisa's telefoon, groot en helder genoeg voor Sophie om te lezen door het glas heen:
‘Je hebt mijn leven afgepakt, Sophie. Nu kom ik het jouwe halen.’






