DEEL 9 — Het vuur van de waarheid
De schokgolf van de explosie liet het betonnen dak trillen. Een zwarte rookwolk schoot via het traphuis naar buiten en mengde zich met de gietende regen. Schijnwerpers knipperden en vielen uit door de plotselinge stroomuitval. Het dak werd gehuld in een duistere, chaotische mengeling van rood noodlicht en rondvliegende vonken.
"Wat is dat?!" schreeuwde Arthur Vance, terwijl hij wankelde en zijn balans probeerde te bewaren.
"De onderste verdiepingen staan in brand, meneer!" riep een van zijn beveiligers wanhopig over het gieren van de wind. "Iemand heeft de brandstofreservoirs in de kelder tot ontploffing gebracht!"
Gabriel aarzelde geen seconde. "Nu!" brulde hij.
Voordat Arthurs mannen konden reageren op de verwarring, openden Gabriels beveiligers het vuur. Gedempte Schoten klinken door de storm. Twee van Arthurs mannen vielen direct neer. Gabriel greep mijn arm en trok me met brute kracht richting de helikopter, die nog altijd met draaiende rotoren op het platform stond.
"Instappen! Snel!" schreeuwde Gabriel.
Ik klom de cabine in, met de zwarte lederen map strak tegen mijn borst geklemd. Gabriel sprong achter me aan en sloeg de zware schuifdeur dicht.
"VLIEGEN! NU!" schreeuwde Gabriel tegen de piloot.
De helikopter kwam los van het dak net toen Arthur Vance overeind krabbelde. Door het raam van de cabine zag ik zijn gezicht—vertrokken van woede en machteloosheid—terwijl hij zijn pistool leegschoot op de opstijgende helikopter. Kogels ketsten met een luid metalen tikken af op de gepantserde onderkant van het toestel, maar we wonnen snel hoogte en verdwenen in de donkere, regenachtige wolken boven de stad.
Ik zakte achterover in de lederen stoel van de helikopter, mijn ademhaling gejaagd. Mijn kleding was doordrenkt van de regen, mijn handen waren koud.
Gabriel kwam naast me zitten en reikte me een droge handdoek aan. Zijn gezicht was strak en getekend door de strijd.
"Wie heeft die explosie veroorzaakt?" vroeg ik zodra ik mijn adem weer onder controle had. "Jij?"
Gabriel schudde zijn hoofd. "Nee. Mijn mannen waren allemaal op de bovenste verdiepingen. Iemand anders heeft dat gebouw laten exploderen."
Ik fronste mijn wenkbrauwen. "Grant...?"
"Grant zit in een cel van de FBI," zei Gabriel. "Die heeft er niets mee te maken. Er is een derde partij in de strijd geworpen, Isabella."
Ik keek uit het raam van de helikopter. Beneden ons was de stad een zee van goudgele lichten, maar bij het gebouw van Sterling & Associates stegen grote zwarte rookwolken op, verlicht door de rode zwaailichten van tientallen brandweerwagens en politieauto's.
"Waar gaan we heen?" vroeg ik.
"Naar het enige veilige oord dat over is," antwoordde Gabriel. "Het oude landgoed van je vader in de bergen. Aetherius Haven. Daar staat de hoofdserver van het netwerk. Als je het 'Phoenix-protocol' echt hebt geactiveerd, moeten we binnen twee uur fysiek inloggen op het systeem, anders sluit het netwerk zichzelf definitief af en is het vermogen voor altijd onbereikbaar."
Ik keek hem strak aan. "Ik heb geploft, Gabriel."
Gabriel verstijfde. "Wat?"
"Ik heb geploft op het dak," zei ik rustig. "Het Phoenix-protocol heeft geen timer van tien minuten. Dat was een bluf om tijd te winnen tegen Arthur."
Gabriel staarde me aan, en toen verscheen er langzaam een korte, ingehouden lach op zijn lippen. "Je bent echt de dochter van Alexander Carter. Hij blufe ook altijd als hij een pistool op zijn hoofd gericht kreeg."
Maar zijn lach verdween snel weer. "Maar de dreiging is echt, Isabella. Arthur en Victor zullen niet stoppen. Ze hebben te veel verloren vanavond. Ze weten dat als jij Aetherius Haven bereikt, hun macht definitief voorbij is."
Drie gedurende drieëntwintig minuten vloog de helikopter door de storm naar het noorden, weg van de verlichte metropool en dieper de pappende bergen in. De regen veranderde langzaam in een kille, natte sneeuw die tegen de ramen van de helikopter sloeg.
Rond vier uur 's nachts landden we op het afgelegen landgoed Aetherius Haven. Het was een gigantisch, kasteelachtig landhuis gebouwd van donker natuursteen, verscholen tussen de dichte dennebossen van de bergen. Het was de plek waar ik mijn jeugd had doorgebracht, de plek waar mijn vader me had geleerd hoe de wereld echt in elkaar stak.
De helikopter zette de motoren uit. De stilte van de bergen omhulde ons direct.
We stapten uit en liepen snel naar de zware eikenhouten voordeur van het landhuis. Gabriel voerde een zestien-cijferige code in op het paneel naast de deur. Het zware slot klikte open.
Binnen was het landhuis gehuld in de geur van oud hout en boeken. Het was er koud en stil.
"De serverruimte is onder de bibliotheek," zei ik, terwijl ik voorop liep door de brede gangen die ik uit mijn hoofd kende.
We daalden af via een verborgen trap achter een enorme boekenwand in de bibliotheek. Beneden bevond zich een hypermoderne, roestvrijstalen ruimte gehuld in het blauwe licht van tientallen computerterminals en koelingssystemen. Dit was het zenuwcentrum van Aetherius Corp.
Ik liep naar de centrale terminal en plaatste mijn palm op de scanner.
BIOMETRISCHE IDENTIFICATIE GEACCEPTEERD. WELKOM, MEVROUW CARTER. klonk een mechanische stem door de ruimte.
Op de grote schermen aan de muur verschenen honderden financiële datastromen, satellietkaarten en bedrijfsoverzichten. Het hele imperium lag voor me open.
"We moeten de bankrekeningen van Vanguard bevriezen en de bevoegdheden van Arthur Vance intrekken," zei ik terwijl mijn vingers snel over het toetsenbord vlogen.
"Doe dat snel," zei Gabriel, die met zijn pistool in de hand bij de deur bleef staan. "Ik vertrouwe deze stilte niet."
Net toen ik de laatste commando's wilde invoeren om Arthurs toegangscode te blokkeren, ging het hoofdscherm van de terminal plotseling op rood.
Een waarschuwingssignaal klonk schril door de serverruimte.
WAARSCHUWING: EXTERNE OVERNAME IN CUSUS. TOEGANGSCODE GEBRUIKT VANAF INTERNE TERMINAL 02.
"Wat is dat?!" riep Gabriel.
Ik staarde naar het scherm. Mijn bloed stroomde koud door mijn aderen. "Er is iemand anders ingelogd op het systeem... vanaf een terminal hier op het landgoed!"
"Dat is onmogelijk!" zei Gabriel. "We zijn de einzigen hier!"
"Nee," fluisterde ik.
Uit de donkere gang achter de serverruimte klonk het zachte, trage geluid van klappende handen.
Een gestalte stapte langzaam het blauwe licht van de serverruimte binnen.
Hij droeg een net pak, maar zijn das hing los. Zijn gezicht was bleek, zijn ogen stonden wild en vol waanzin. In zijn rechterhand hield hij een koperen sleutelkaart.
Mijn adem stokte volledig.
"Grant...?" fluisterde ik vol ontzetting.
Het was mijn echtgenoot. Grant Matthews. De man die drie uur geleden door de fbi in de boeien had moeten worden geslagen.
Grant glimlachte. Een kille, ziekelijke glimlach.
"Vaste verrassing, Isabella," sprak Grant met een stem die oversloeg van emotie. "Dacht je echt dat die simpele agents van de FBI mij konden vasthouden? Je bent vergeten wie mijn nieuwe vrienden zijn."
Er stapten vier zwaarbewapende mannen achter Grant vandaan. En aan het hoofd van die mannen stond een lange man met een grijs litteken over zijn hals: Victor Vance.
"Bedankt dat je ons de weg hebt gewezen naar de hoofdserver, Isabella," zei Victor Vance met een rauwe, diepe stem. "Mijn broer Arthur dacht dat hij de slimste was. Maar Grant hier... Grant heeft ons de toegangscodes gegeven die hij weken geleden al uit jouw kluis had gekopieerd."
Grant zette een stap naar voren en keek me aan met een blik vol haat en triomf.
"Je dacht dat ik een domme echtgenoot was, Isabella?" schreeuwde Grant. "Je dacht dat je me kon vernederen voor het oog van het hele bedrijf?! Je hebt me jarenlang voorgelogen! Je liet me geloven dat ik de kostwinner was, terwijl jij op miljarden zat!"
He hief een klein zwart bedieningsapparaatje op.
"Nu is het mijn beurt om de baas te zijn," zei Grant. "En het eerste wat ik doe... is jou voorgoed wissen."






