DEEL 8 — De valstrik op het dak
De duisternis op de trappen van het kantoorgebouw werd slechts onderbroken door het noodlicht dat groen oplichtte bij elke verdieping. We renden omhoog, de zware stap van Gabriels mannen achter ons als een marchuderende muur van staal. Mijn ademhaling was gejaagd, mijn hakken kletterden op de betonnen treden.
"Hoe kunnen ze me beschuldigen van hoogverraad?" vroeg ik tussen twee ademteugen door, terwijl we de dertiende verdieping passeerden.
"Victor Vance heeft vrienden op de hoogste posities binnen het Ministerie van Justitie," antwoordde Gabriel zonder zijn tempo te verlagen. "Hij heeft al maanden valse bewijzen opgebouwd. Facturen van Vanguard die laten zien dat jouw privé-trust wapentransporten naar het Midden-Oosten heeft gefinancierd. Grant heeft die documenten onwetend ondertekend, denkend dat het routine-overeenkomsten waren voor de scheepvaartdivisie."
Mijn maag kromp samen. Grant. Die idioot had niet alleen zijn eigen graf gegraven, hij had het fundament gelegd voor mijn ondergang. Hij dacht dat hij een grote manager was, maar hij was slechts een stempelfabriek geweest voor illegale transacties.
"En die documenten dragen míjn digitale handtekening?" vroeg ik.
"Exact," knikte Gabriel toen we het zware metaal van de dakdeur bereikten. "En als je eenmaal in federale hechtenis zit, regelt Victor dat je 'zelfmoord' pleegt in je cel voordat je een rechter te zien krijgt."
Gabriel wenkte twee van zijn mannen. Ze namen positie in aan weerszijden van de zware stalen deur die naar het dak leidde. Een van hen keek door het kleine spionnetje.
"Situatie op het dak?" vroeg Gabriel.
"Helikopter van Vanguard staat klaar, Commandant," zei de man. "Geen zichtbare vijanden op het platform. Maar het weer is slecht. Zware storm op komst."
"Storm maakt niet uit. Open de deur."
De beveiligingsbeambte ontgrendelde de zware stalen stang. De deur waaide met enorme kracht open door de gierende wind. Regen sloeg ons koud in het gezicht. Het dak van het veertien verdiepingen hoge gebouw was kletsnat en glom onder de lichten van de landingsplaats, waar de zwarte helikopter met draaiende rotoren klaarstond.
We renden over het natte asfalt richting de helikopter. De motoren gierden luid.
Maar net toen we de helikopter op twintig meter genaderd waren, lichtte de rand van het dak plotseling op. Eén... twee... vier gigantische schijnwerpers flitsten aan vanaf de omringende daken.
Het felwitte licht verblindde ons volledig.
"MEVROUW CARTER! BLIJF STAAN EN ZET UW HANDEN OP UW HOOFD!"
De stem klonk via een megaroon over het dak, vervormd door de wind en het gieren van de helikopterbladen.
Uit de schaduwen van de liftopbouw op het dak stappen acht mannen in donkere, merkloze tactische kleding met automatische wapens. Ze hadden ons volledig ingesloten. Aan de rand van het dak verschenen nog meer gedaanten.
Gabriel trok me direct achter zich en zijn mannen vormden een menselijk schild om mij heen, hun wapens gericht op de overmacht.
"Niet schieten!" riep Gabriel tegen zijn mannen.
Uit de groep van de gewapende vreemdelingen stapte een man naar voren. Hij droeg een lange, zwarte wollen jas en hield een paraplu boven zijn hoofd. Een elegante verschijning, ondanks de gietende regen.
Toen hij de schijnwerper in stapte, herkende ik het gezicht.
Het was niet de federale politie. En het was ook niet Victor Vance.
Het was Arthur Vance. De bestuursvoorzitter van Vanguard. De man die me drie uur geleden nog in het hotel de eer had bewijzen en die voor mij had gebogen.
Mijn adem stokte. Ik keek naar Gabriel, en daarna naar zijn vader.
"Arthur...?" fluisterde ik vol ongeloof.
Arthur Vance keek me aan met een blik die geen spatje van de eerbied meer vertoonde die hij in de feestzaal had laten zien. Zijn gezicht was koud, berekenend en vol overmacht.
"Het spijt me, Isabella," sprak Arthur met zijn diepe, rustige stem die moeiteloos boven de storm uit kwam. "Het had niet zo hoeven lopen. Als je gewoon de simpele echtgenote van Grant Matthews was gebleven, had je een lang en rustig leven kunnen leiden op het platteland. We hadden je een riant pensioen gegeven."
"Vader..." zei Gabriel met een stem vol afkeer. "Leg je wapens neer. Het is voorbij."
Arthur keek naar zijn zoon. Een glimp van verdriet passeerde zijn ogen, maar het verdween net zo snel als het kwam. "Ah, Gabriel. Mijn verloren zoon. Ik hoopte dat je slim genoeg zou zijn om in het buitenland te blijven. Waarom moet je je altijd bemoeien met zaken die je verstand te boven gaan?"
"Je werkt samen met Victor?" eiste ik te weten, terwijl ik onder Gabriels arm door stapte om Arthur recht in de ogen te kijken. "Jij en je broer spelen al die jaren al een dubbelspel?"
Arthur lachte zachtjes. "Victor? Victor is een bruut. Een man van het grove werk. Hij dacht dat hij de Carter Trust kon stelen met bedreigingen en fraude. Maar ik... ik heb veertig jaar lang aan de zijde van jouw vader gewerkt, Isabella. Ik heb Vanguard opgebouwd uit het niets terwijl Alexander Carter in zijn marmeren toren zat te filosoferen over ethiek!"
Arthur zette een stap dichterbij, de gewapende mannen achter hem volgden zijn beweging.
"Jouw vader was een zwakkerling," ging Arthur verder. "Hij wilde de macht over Aetherius verdelen onder de mensheid. Hij wilde de technologie gratis beschikbaar stellen! Miljarden dollars aan waarde, zomaar weggegeven! Ik kon dat niet laten gebeuren. Dus heb ik gedaan wat nodig was."
"Je hebt hem vergiftigd," zei ik, de woede kookte in mijn bloed.
"Hij stierf voor een hoger doel," antwoordde Arthur ijskoud. "En nu is het tijd dat zijn dochter hem volgt. Geef me de zwarte map, Isabella. Geef me de opstartcodes van Aetherius. En ik beloof je dat je dood snel en pijnloos zal zijn."
"En als ik het niet doe?" vroeg ik, terwijl ik mijn vingers steviger om de zwarte map klemde.
Arthur keek naar Gabriel en zijn kleine beveiligingsteam. "Dan schieten we iedereen op dit dak neer. Jouw beveiligers, mijn eigen zoon... en jou. We gooien de lichamen over de rand en vertellen de pers dat de Carter Trust is ingestort door een interne bendeoorlog."
De stilte die volgde was benauwend. De regen stroomde over mijn gezicht. Gabriel ontspande zijn houding niet. Zijn vinger lag op de trekker van zijn submachinepistool.
"Je bent te laat, Arthur," zei ik plotseling.
Arthur fronste zijn wenkbrauwen. "Wat zeg je?"
Ik haalde mijn telefoon tevoorschijn uit mijn zak. Het scherm lichtte op. Er liep een rode timer op het scherm die op nul stond.
"Toen we op de twaalfde verdieping waren," zei ik met een kille, kalme stem, "heb ik de primaire versleuteling van Aetherius geactiveerd via de satellietverbinding op mijn telefoon. Het protocol 'Phoenix' is in werking getreden."
Arthurs gezicht veranderde. Een eerste spoor van twijfel verscheen in zijn ogen. "Dat is onmogelijk... de codes kunnen alleen geactiveerd worden vanuit de hoofdserver!"
"Niet sinds mijn vader het testament heeft herzien," glimlachte ik wreed. "Als mijn hartslag stopt, of als ik niet binnen tien minuten een deactiveringscode invoer op dit netwerk, worden álle activa van Vanguard, álle bankrekeningen van de Carter Trust, en álle offshore-fondsen van jou en Victor binnen één seconde bevroren en overgedragen aan de internationale belastingautoriteiten."
Ik zette een stap naar voren, recht in het felwitte licht van de schijnwerpers.
"Dus schiet maar, Arthur," zei ik. "Schiet me neer. En zie hoe jouw levenswerk binnen tien seconden verandert in waardeloos papier."
Arthur staarde me aan. Het pistool van de man naast hem trilde. De machtsverhoudingen op het kletsnatte dak waren binnen één enkele zin volledig gekanteld.
En toen... klonk er een doffe knal. Niet van een pistool.
Van beneden uit het gebouw klonk de schrillende pijl van een vuuralarm, gevolgd door een explosie die de vloer van het dak deed schudden.






