Deel 6: Het Dossier van Stichting Welzijn Kind
Het geluid van de stemmen in het bos deed het bloed in mijn aderen stollen. Ze waren niet achter mij aan gekomen—ze waren Mark en Leo naar de schuur gevolgd!
Ik doofde de zaklamp van mijn telefoon onmiddellijk. De schuur werd gehuld in een gijzelende duisternis. Mijn ademhaling was het enige geluid dat ik hoorde, klinkend als een stormram in mijn eigen oren. Met trillende vingers tastte ik in het donker naar het metalen kistje onder de werkbank. Ik stak het zilveren sleuteltje in het slot en draaide het om. Een zachte, metaalachtige klik klonk door de ruimte.
Ik tilde het deksel op. Binnenin lag een dik, vergeeld papieren dossier met een rode stempel op de voorkant: VERTROUWELIJK – STICHTING WELZIJN KIND – DOSSIER 847.
Dat was de naam die Hannah op de video had genoemd!
Ik graaide het dossier uit de kist, klemde het onder mijn arm en keek door de spleten van de houten wand van de schuur naar buiten. In het flauwe maanlicht zag ik twee silhouetten die zich door het hoge gras bewogen. Een van hen droeg een zaklamp met een rood filter. Ze kwamen niet naar de schuur toe, maar bewogen zich in de richting van het oude boswachtershuisje, vijftig meter verderop.
Mark en Leo. Ze moesten zich daar verstopt hebben!
Ik moest een afleiding creëren. Als die mannen het boswachtershuisje bereikten, waren Mark en Leo ingesloten. Ik keek om me heen in de schuur. Op de grond lag een oude, roestige benzineblik die mijn vader vroeger voor de grasmaaier gebruikte. Ik voelde eraan—er zat nog een bodempje in.
Met een snelle beweging pakte ik het blik, schudde de vloeistof over een stapel droog stro in de hoek van de schuur, haalde de aansteker uit mijn broekzak die ik altijd bij me droeg voor de kaarsen thuis, en stak het stro aan.
Binnen enkele seconden vlamde het stro op. De droge houten wanden van de oude schuur vatten meteen vlam. Rook vulde de ruimte. Ik rende naar de achteruitgang van de schuur—een klein luik waar vroeger het veevoer doorheen werd gegooid—en wurmde me erdoorheen, net toen de vlammen het dak bereikten.
"Brand!" schreeuwde een van de mannen buiten. "Kijk daar!"
Zoals ik had gehoopt, keerden de twee silhouetten zich om en renden naar de brandende schuur, denkend dat we daarbinnen zaten.
Ik maakte van de verwarring gebruik en rende met gebogen rug door de dekking van de meidoornstruiken richting het boswachtershuisje. De lucht rook naar verbrand hout en de oranje gloed van de schuur verlichtte de nacht.
"Mark!" fluisterde ik schor toen ik de achterdeur van het vervallen huisje bereikte. "Mark, ik ben het!"
De deur ging op een kier open en een hand greep mijn arm en trok me naar binnen. Ik belandde tegen de borst van Mark. Hij hield een zware houten balk vast als wapen. In de hoek van het huisje zat Leo, opgewonden en stil, met zijn knieën tegen zijn kin gedrukt.
"Eleanor! Mijn god, ben je gewond?" fluisterde Mark gejaagd. Hij keek naar de oranje gloed die door het raam te zien was. "Heb jij die schuur in brand gestoken?"
"Het was de enige manier om ze af te leiden," ademde ik uit, terwijl ik het dossier stevig tegen me aan klemde. "Ze zijn met meer. We moeten nu weg, voordat ze doorhebben dat de schuur leeg is."
"Wie zijn die mensen, El?" vroeg Mark met een mengeling van angst en woede. "Ze spraken over Leo alsof hij een object is! Een bezit!"
"Dat leg ik je zo uit. Mijn auto staat bij de weg. Rennen!"
We glipten het boswachtershuisje uit, gebruikmakend van de rook en de chaos die de brand veroorzaakte. We bereikten mijn auto zonder opgemerkt te worden. Mark tilde Leo op de achterbank en ging naast hem zitten, terwijl ik achter het stuur sprong en de motor startte. Ik reed weg zonder de lichten aan te doen totdat we de doorgaande weg bereikten.
Pas toen we tientallen kilometers verwijderd waren van ons dorp en op de snelweg richting de grote stad reden, durfde ik weer adem te halen.
"Waar gaan we naartoe?" vroeg Mark vanaf de achterbank. Hij hield Leo stevig vast. De jongen was in slaap gevallen, uitgeput door de angst en de emoties.
"Naar het adres op het kaartje," zei ik, terwijl ik naar de bijrijdersstoel keek waar het dossier lag. "Het industrieterrein. Maar eerst moeten we lezen wat hierin staat."
Ik zette de auto stil op de parkeerplaats van een verlaten tankstation langs de snelweg. Met het leeslampje van de auto aan, opende ik de map van Dossier 847.
De eerste pagina bevat een foto van mijn zus Hannah, genomen toen ze ongeveer twintig jaar oud ছিল. Maar eronder stonden documenten die mijn maag deden omdraaien.
Het was geen adoptiedossier. Het was een medisch en juridisch rapport van een particuliere organisatie genaamd 'Stichting Welzijn Kind'. Maar de inhoud ging niet over het welzijn van kinderen. Het ging over een illegale draagmoederschap- en experimentennetwerk voor rijke gezinnen die via traditionele wegen geen kinderen konden krijgen.
En op de derde pagina stond de naam van de stichter en hoofdfinancier van het project.
Mijn handen begonnen te trillen toen ik de naam las. Het was de naam van mijn eigen vader—de man die vijf jaar geleden officieel was overleden aan een hartaanval.
Maar wat nog erger was: onderaan de pagina lag een losse geboorteakte. De naam van de moeder was Hannah Carter. De naam van de vader... was blanco. En de geboortedatum van de baby kwam precies overeen met de geboortedatum van Leo.
"O mijn god," fluisterde Mark, die over mijn schouder meekeek. "Leo is niet zomaar een geadopteerd kind... hij is de erfgenaam van het netwerk van je vader."
Toen ik de laatste pagina van het dossier omsloeg, gleed er een klein fotootje uit. Het was een recente foto. Op de foto stond een vrouw in een rolstoel, kijkend uit een raam van wat leek op een psychiatrische inrichting.
Aan de onderkant van de foto was met de hand geschreven: 'Ze leeft nog. Kliniek St. Jude, Kamer 204. Ze heeft nog twee dagen.'
En op dat moment ging de telefoon in mijn zak over. Het was een onbekend, afgeschermd nummer.






